...

Een uitnodiging tot co-creatie

Een uitnodiging tot co-creatie

Inhoud

  1. Waarom maken we een Gebiedsagenda IJsselmeergebied?
  2. Wat willen we met de Gebiedsagenda bereiken?
  3. Hoe maken we de Gebiedsagenda?
  4. Hoe organiseren we het?
  5. Wanneer gebeurt het?
  6. Wat zetten we in?

Bijlagen:

  1. Samenvatting beleidsanalyse IJsselmeergebied
  2. Waar bouwt de Gebiedsagenda op voort?
  3. Oogst regiobijeenkomst 10 november 2015

 

Uitleg iconen op de kaart

De blauwe iconen staan voor de kunstwerken en de uitvoering van kerntaken. De oranje iconen geven onderhoud, aanleg of uitbreidingen weer. De groene iconen hebben te maken met gebruiksfuncties.

Bron: Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren 2016-2021 Bron: Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren 2016-2021

02-2016

 

...

1 Waarom maken we een gebiedsagenda IJsselmeergebied?

1 Waarom maken we een gebiedsagenda IJsselmeergebied?

Het IJsselmeergebied is het grootste aaneengesloten zoetwatergebied van West-Europa. Het biedt Nederland een strategische zoetwaterbuffer voor drinkwater, landbouw en natuur. Voor het IJsselmeergebied zijn een aantal urgente opgaven opgesteld op het gebied van waterveiligheid, zoetwater, klimaatadaptatie, natuurontwikkeling, waterkwaliteit, energieproductie, visserij, toerisme, recreatie en verstedelijking. Het gebied wordt gekenmerkt door multifunctioneel ruimtegebruik en is van grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. De zoektocht naar een goede balans tussen de opgaven voor water, natuur en verstedelijking draagt bij aan het vestigingsklimaat en de leefbaarheid in de gebieden die grenzen aan het IJsselmeergebied. Het bestaande beleid biedt hiervoor kaders, maar mist voldoende richtinggevend perspectief en concrete uitwerking. Het Rijk wil samen met de andere partijen in het gebied meer synergie creëren tussen de verschillende opgaven en deelgebieden. De ambitie is om, vanuit een integrale blik op het IJsselmeergebied, het beleid van de verschillende overheden beter op elkaar af te stemmen en de beschikbare middelen optimaal in te zetten.

Water is het verbindende element. In de Gebiedsagenda IJsselmeergebied 2050 wordt de verbinding gelegd tussen ontwikkelingen in het water en op het daaromheen liggende land. Dat biedt kansen aan provincies en gemeenten om in ruimtelijke visies het land beter de verbinden met het water. Projecten dragen daardoor maximaal bij aan de omgevingskwaliteit en de optimale benutting van potenties van het gebied.

Deze ambitie van het Rijk sluit aan bij één van de zeven geformuleerde onvermijdelijke opgaven voor 2040, die het resultaat zijn van het Jaar van de Ruimte: “Zet water in als kwaliteitsimpuls”. Deze ambitie sluit tevens aan bij adviezen van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), het College van Rijksadviseurs (CRa) en de Adviescommissie Water. Het PBL en het CRa vragen nadrukkelijk aandacht voor het borgen van integraliteit en ruimtelijke kwaliteit in de uitvoering van het Deltaprogramma, bijvoorbeeld door een gebiedsgerichte programmatische aanpak. De Rijksadviseur Landschap en Water constateert bovendien dat een economisch-ruimtelijke visie en een ecologisch-ruimtelijke visie op het IJsselmeergebied als geheel ontbreken.

In het IJsselmeergebied komen veel ambities, opgaven en investeringsprojecten van Rijk en regio samen. Daarom neemt het Rijk het initiatief om een gebiedsproces op te starten met partners in de regio - andere overheden, belangenorganisaties, burgers, kennisinstellingen en het bedrijfsleven - om gezamenlijk een Gebiedsagenda 2050 voor het IJsselmeergebied op te stellen. Deze Gebiedsagenda is gericht op het creëren van een richtinggevend perspectief voor het gebied, een kennis- en innovatieagenda en een gezamenlijke uitvoeringsagenda voor maatregelen en projecten. 

In het IJsselmeergebied hebben de afgelopen jaren meerdere gebiedsprocessen plaatsgevonden. Hierdoor is de planvorming verbeterd en de samenwerking tussen partijen versterkt. Deze gebiedsprocessen waren echter niet in alle opzichten integraal. Zo richt het Deltaprogramma zich specifiek op de wateropgaven en het RRAAM zich op de verstedelijkingsopgave in samenhang met natuurdoelen in het Markermeergebied. Met de Gebiedsagenda wordt voortgebouwd op wat in deze processen is bereikt en worden de resultaten daarvan verbreed en verbonden met andere thema’s.

De Gebiedsagenda IJsselmeergebied 2050 beoogt partijen in het gebied te verleiden tot langdurige samenwerking over grenzen heen. Het tot stand komen van de Gebiedsagenda zelf is geen einddoel, maar een tussenstation - een momentopname - in de samenwerking van partijen.

 

Een uitnodiging tot co-creatie

Dit plan van aanpak is een uitnodiging aan partijen in het gebied om mee te werken aan de Gebiedsagenda 2050. Er wordt gewerkt vanuit de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit en samenhang in het gebied en vanuit gedeeld eigenaarschap voor het gebied en daarmee tevens voor de Gebiedsagenda. Kortom: om van stakeholder shareholder te worden. Shareholders nemen gelijkwaardig aan het proces deel. Ieder blijft daarbij wel verantwoordelijk voor de eigen besluitvorming en de organisatie daarvan. Er is daarbij sprake van verschillende gelaagdheden. Een perspectief kun je bijvoorbeeld gezamenlijk vaststellen, investeringsbeslissingen zijn een verantwoordelijkheid van afzonderlijke partijen.

In dit plan van aanpak wordt een aanzet gegeven voor de manier waarop de partijen kunnen samenwerken. Het richt zich vooral op het organiseren van een adaptief proces, waarmee we de opgaven en het oplossend vermogen in het gebied naar boven willen krijgen. Het procesontwerp wordt in gesprek met degenen die aanhaken bijgesteld.

 

02-2016

 

Het einddoel van de Gebiedsagenda is het vergroten van de omgevingskwaliteit en samenhang in het IJsselmeergebied.
...

2 Wat willen we met de Gebiedsagenda bereiken?

2 Wat willen we met de Gebiedsagenda bereiken?

Kort samengevat is de Gebiedsagenda gericht op een veilig, vitaal en veerkrachtig IJsselmeergebied, met omgevingskwaliteit, te realiseren door integraliteit van beleid en de uitvoering van projecten en door een goede invulling van de governance. Governance is het geheel van samenwerkingen op politiek, bestuurlijk, juridisch, sociaal en organisatorisch gebied, met behoud van ieders specifieke verantwoordelijkheden.

Voor de Gebiedsagenda IJsselmeergebied 2050 zien we drie belangrijke componenten:

  1. Een gezamenlijk richtinggevend perspectief voor het IJsselmeergebied, dat integraal en gebiedsdekkend is.
  2. Een dynamische kennis- en innovatieagenda.
  3. Een uitvoeringsagenda voor maatregelen en projecten in het IJsselmeergebied.

De Gebiedsagenda moet daadwerkelijk doorwerking krijgen. Dit gebeurt wanneer er draagvlak voor de agenda is, wanneer de agenda inspireert en wanneer het werken aan de agenda de relaties tussen partijen versterkt. De Gebiedsagenda levert input voor zowel de Nationale Omgevingsvisie en de Nationale Omgevingsagenda, als voor de omgevingsvisies van de provincies in het IJsselmeergebied. Daarnaast bevordert de Gebiedsagenda een integrale uitvoering van geplande projecten.

De shareholders werken samen aan een inhoudelijk overtuigend en aantrekkelijke vormgegeven product. De Gebiedsagenda verbindt:

  • kennis, beleid, uitvoering en beheer;
  • overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties;
  • maatschappelijke opgaven en gebiedsambities;
  • deelgebieden, die samenhang hebben.

De meren van het IJsselmeergebied spelen een verbindende rol. Vanuit deze meren wordt de relatie gelegd met de ontwikkelingen in het daaromheen liggende land en vice-versa. Per opgave of thema wordt de logische gebiedsafbakening bepaald. Soms kan het gebied beperkt worden tot de meren zelf (inclusief de oeverzone) en soms bestrijkt het ook een deel van het omliggende land (bijvoorbeeld bij zoetwatervoorziening).

De Gebiedsagenda moet helderheid geven en processen versnellen. In de Gebiedsagenda worden daarom eerder gevoerde discussies niet over gedaan en worden genomen besluiten gerespecteerd (bijvoorbeeld over het Deltaprogramma, Structuurvisie Wind op Land en RRAAM). Er worden daarnaast verbindingen gelegd met lopende (of binnenkort te starten) processen. De Gebiedsagenda breekt daar niet op in en zal de resultaten daarvan benutten. Een voorbeeld hiervan is de energiedialoog. Uit het onderling verbinden van sectorale opgaven en redenerend vanuit een lange termijn perspectief (2050) kunnen nieuwe inzichten en nieuwe oplossingen ontstaan die waardevol zijn voor de lopende processen.  Moeilijk verlopende processen kunnen er voordeel bij hebben als de problematiek in een breder kader wordt geplaatst of verbonden wordt met andere opgaven of ambities. De  gebiedsagenda en de lopende processen kunnen zo wederzijds meerwaarde bieden.

 

Vertrekpunten

  • De Gebiedsagenda heeft een langetermijn perspectief 2050, start vanuit de opgaven en lopende projecten en vertaalt deze terug naar een integrale visie en ambitie, een kennis- en innovatieagenda en een uitvoeringsagenda.
  • De Gebiedsagenda verbindt over grenzen heen (gebieden en sectoren).
  • De Gebiedsagenda levert input voor de Nationale Omgevingsvisie, de Nationale Omgevingsagenda en de omgevingsvisies van de provincies en gemeenten en de waterbeheerplannen van de waterschappen in het IJsselmeergebied.
  • Niet iedereen hoeft overal aan mee te doen. Je doet mee aan die onderdelen waar je inhoudelijke ambities liggen.
  • Deelnemers zijn shareholders: ze pakken verantwoordelijkheid voor het proces, kijken breed en stappen over hun eigen schaduw heen.
  • De Rijksoverheid is één van de partners in beleid en uitvoering naast anderen en medefacilitator van het proces. We streven ernaar een netwerkorganisatie te vormen.
  • De overheden zijn niet de enige partijen die actief zijn in het proces. Het initiatief ligt ook bij maatschappelijke partijen, bedrijven en burgers.
  • Het proces vertrekt vanuit de basiswaarden ‘brede blik’, ‘maatwerk’ en ‘samenwerken’.
  • Bestaande kennis wordt benut en er wordt zoveel mogelijk vanuit een gedeelde kennisbasis gewerkt.
  • We stellen eerder genomen besluiten en internationale verplichtingen niet ter discussie en respecteren lopende (wettelijke) processen.

 

02-2016

 

3 Hoe maken we de Gebiedsagenda?

Co-creatie is een vorm van samenwerking waarbij alle deelnemers invloed hebben op het proces en resultaat. Kenmerken van co-creatie zijn: dialoog, op basis van overeenkomsten, enthousiasme, daadkracht en focus op resultaat. Voorwaarden voor succesvolle co-creatie zijn gelijkwaardigheid van de deelnemers, wederkerigheid, openheid en vertrouwen.

In het gebied spelen opgaven die niet vanzelf worden opgepakt. Door thema’s op een ander schaalniveau te bekijken en te verbinden met elkaar, ontstaat een nieuwe dynamiek. Met elkaar hierover in gesprek komen, dingen ontdekken, van elkaar leren en nieuwe inzichten creëren zijn de kern van het proces om tot een gedragen resultaat te komen. De verschillende overheden, maatschappelijke organisaties en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven denken en praten samen over de toekomst van het IJsselmeergebied.

Als het proces lang duurt, verflauwt de betrokkenheid van partijen makkelijk. Omdat we voortbouwen op bestaande kennis en inzichten kiezen we er voor om ongeveer anderhalf jaar uit te trekken voor het gebiedsproces.

Het proces is opgebouwd rond een aantal ‘gebiedsdialogen’. Het woord ‘gebied’ verwijst hierbij naar het IJsselmeergebied als geheel. Gebiedsdialogen kunnen gericht zijn op een of enkele specifieke thema’s/sectoren of op een deelgebied. Iedere gebiedsdialoog wordt op maat gemaakt. Hij bestaat uit een aantal bijeenkomsten - ateliers- waarin opgaven, ambities en oplossingsrichtingen worden besproken.
Daarbij wordt gekeken naar beleid, wensen en ambities voor deze thema’s, maar vooral ook naar de verbindingen tussen opgaven (“cross-overs”). Deze cross-overs van opgaven kunnen leiden tot nieuwe concepten: een oplossingsrichting waarmee meerdere opgaven integraal kunnen worden aangepakt. Denk bijvoorbeeld aan het concept slibmotor, waaruit het project Marker Wadden is voortgekomen, of de Afsluitdijk als energiedijk. Het figuur hieronder geeft schematisch weer hoe zulke cross-overs en concepten tot stand kunnen komen.

 

De totstandkoming van cross-overs en concepten De totstandkoming van cross-overs en concepten

Het figuur hieronder geeft de opbouw van het proces weer. Het proces begint met een verkenningsfase die loopt tot september 2016. Na bespreking van de resultaten daarvan in de Bestuurlijke MIRT-overleggen (najaar 2016), volgt een tweede fase van verdieping en verbreding gevolgd door een integratiefase, besluitvorming in Bestuurlijke MIRT overleggen 2017 en afspraken over de uitvoering.

 

Verkenningsfase

In de verkenningsfase worden ontwikkelingen en spanningen rondom de belangrijke thema’s in het IJsselmeergebied in beeld gebracht. Wat zijn de bestaande opgaven voor het gebied en waar liggen de interacties (cross-overs) en oplossingsrichtingen. We analyseren de landschappelijke, ruimtelijke en cultuurhistorische waarden in het gebied. Tevens organiseren we drie gebiedsdialogen over urgente en meekoppelende opgaven:

  1. Een dialoog over natuur- en waterkwaliteit, drinkwatervoorziening, visserij, toerisme en recreatie;
  2. Een dialoog over energie, water, landschappelijke en cultuurhistorische waarden;
  3. Een dialoog over ruimtelijke adaptatie, circulaire economie en zoetwatervoorziening.

We werken aan het netwerk van partijen en het organiseren van draagvlak. De resultaten van de verkenningsfase kunnen als input worden gebruikt voor de omgevingsvisies van Rijk en provincies. De planning van gebiedsdialogen kan worden aangepast, rekening houdend met de wensen en mogelijkheden van shareholders. In de Bestuurlijke MIRT-overleggen (najaar 2016) brengen we de eerste contouren van het perspectief, de kennis- en innovatieagenda en de uitvoeringsagenda in beeld en worden afspraken gemaakt voor de inrichting van de tweede fase, inclusief afspraken over deelname van shareholders (overheden, maatschappelijke organisaties, bedrijven en burgers) aan het opstellen van de Gebiedsagenda.

De verkenningsfase levert de volgende producten op:

  • Een overzichtsdocument, dat de ontwikkelingen rond belangrijke thema’s in het IJsselmeergebied in beeld brengt en dat een samenvatting geeft van de urgente, meekoppelende opgaven en de spanningen daartussen.
  • Een verkenning van de ruimtelijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden in het gebied.
  • Drie publicaties met de resultaten van de eerste drie gebiedsdialogen, waarin we met ontwerpend onderzoek kansrijke cross-overs, concepten en oplossingsrichtingen zullen verkennen.
  • Een symposium over en excursie naar het IJsselmeergebied tijdens het internationale congres ‘Adaptation Futures’ (10-13 mei 2016).
  • Een voorstel voor de organisatie en inrichting van de verdiepingsfase.

Belangrijker nog dan deze concrete producten is de outcome van de verkenning, in termen van draagvlak en commitment van partijen. Daarbij moet duidelijk zijn welke verantwoordelijkheid de andere betrokken partijen in dit proces willen nemen (zie ook hoofdstuk 4 over de mogelijke rol van een gebiedsregisseur). Hierover worden
tijdens de Bestuurlijke MIRT overleggen in het najaar van 2016 afspraken gemaakt.

 

Gebiedsdialogen

De gebiedsdialogen vormen de essentie van het proces. De gebiedsdialogen worden inspirerende bijeenkomsten en ze worden met zorg voorbereid. Ontwerpend onderzoek wordt als middel ingezet, zie ook de afbeelding hierboven. In de sessies is het van belang dat de partners oog hebben voor elkaars belangen en dat ze niet primair gericht zijn op het behartigen van een eigen sectoraal belang. De focus ligt op het gezamenlijk denken over het versterken van de omgevingskwaliteit van het IJsselmeergebied en het verbinden van onder andere economie, ecologie en cultureel erfgoed.

Deze manier van werken is volgens het CRa een effectief format om relevante partijen te betrekken om vervolgens samen te werken aan omgevingskwaliteit (zie het advies 'Bevordering Vermaatschappelijking EZ beleidsthema's).

Het kernteam verwerkt, in samenspraak met de trekker van de gebiedsdialogen, de resultaten van een sessie en legt die voor in volgende sessies. De sessies zullen vaak creatief en divergerend zijn. Het kernteam zorgt, met ondersteuning van een extern bureau, dat er weer convergentie plaatsvindt en dat de inhoudelijke onderbouwing klopt en het draagvlak behouden blijft.

Iedere gebiedsdialoog levert een tussenproduct op. Dit is een inspirerende weergave van de resultaten van de bijeenkomsten: kansrijke nieuwe concepten, mogelijke oplossingsrichtingen, nieuwe ontwerpopgaven.

Na de drie gebiedsdialogen in de verkenningsfase volgt een synthesemoment, waarin de resultaten voor de verschillende thema’s met elkaar verbonden worden. De resultaten hiervan worden gebruikt om te bouwen aan de drie onderdelen van de Gebiedsagenda (perspectief, kennis- en innovatieagenda en uitvoeringsagenda). De resultaten kunnen benut worden in de processen die leiden tot de omgevingsvisies van Rijk en provincies.

Alle tussenproducten worden gepubliceerd. We kijken naar de mogelijkheden van online platforms en bestaande communicatiekanalen van de share- en stakeholders.

 

Het voorgestelde proces voor de ontwikkeling van de Gebiedsagenda Het voorgestelde proces voor de ontwikkeling van de Gebiedsagenda

Vervolgfase en synthesefase

Het synthesemoment in de verkenningsfase heeft tot doel om te verkennen welke gebiedsdialogen in de vervolgfase van verdieping en verbreding gewenst zijn. Hier kunnen thema’s verdiept worden, nieuwe thema’s worden besproken of nieuwe cross-overs tussen thema’s worden opgepakt. Op deze manier wordt voorkomen dat door een te beperkte keuze van thema’s voor de gebiedsdialogen in het begin van het proces kansen over het hoofd worden gezien.

Het proces wordt afgerond met een synthesefase, waarin de tussenproducten worden geïntegreerd tot de uiteindelijke Gebiedsagenda.

 

De contouren van een gebiedsdialoog De contouren van een gebiedsdialoog

02-2016

 

4 Hoe organiseren we het?

De minister van IenM is de formele opdrachtgever voor het ontwikkelen van de Gebiedsagenda IJsselmeergebied 2050. De Gebiedsagenda is echter geen rijksproject: er wordt een proces georganiseerd met alle partijen die er actief aan willen bijdragen (de shareholders). We noemen het de coalition of the willing. Deze partijen leveren de leden van een kernteam en een regiegroep. Vanuit de verantwoordelijkheid voor de doorwerking van het ruimtelijk beleid en natuurbeleid en de bestuurlijke en maatschappelijke inbedding van de Gebiedsagenda in de regio, is het streven dat de provincies mede-opdrachtgever worden. Na vaststelling van de Gebiedsagenda door de regiegroep biedt de minister van IenM, mede namens de shareholders, de Gebiedsagenda aan de Tweede Kamer aan. De Gebiedsagenda wordt door de betrokken partijen gebruikt als inpunt voor de eigen beleidsformulering (bijvoorbeeld in de omgevingsvisies). Daarbij behoudt iedere partij de eigen verantwoordelijkheid.

Het proces van de Gebiedsagenda begint met een verkenningsfase. In deze fase wordt verkend welke partijen actief willen meewerken aan de Gebiedsagenda. Met hen wordt dit plan van aanpak waar nodig bijgesteld en uitgewerkt. Om deze verkenningsfase te kunnen uitvoeren zijn door het Rijk een kwartiermakende stuurgroep en kernteam geformeerd. Naarmate partijen aanhaken groeien deze op organische wijze naar de gewenste breed samengestelde regiegroep en een kernteam met partijen die actief bijdragen aan het proces. De afbeeldingen op deze en de volgende pagina geven de kwartiermakende situatie van de organisatie weer en de mogelijke organisatie in de latere fasen.

 

Kernteam

Het kernteam organiseert, onder verantwoordelijkheid van de kwartiermakende stuurgroep, de verkenningsfase. Als start zijn een voorlopig procesontwerp en dit plan van aanpak gemaakt. Vervolgens organiseert het kernteam de uitvoering van de verkenningsfase, gericht op zowel het betrekken van andere partijen in het proces als het organiseren van de eerste inhoudelijke gebiedsdialogen. Het kernteam verwerkt de resultaten van de verkennningsfase en verzorgt de communicatie met de omgeving. Wanneer de capaciteit van het kernteam onvoldoende is om alles zelf te doen worden onderdelen van het werk uitbesteed.
 

Kwartiermakende stuurgroep

De kwartiermakende stuurgroep stelt het plan van aanpak vast en bespreekt het proces met partners in het gebied op bestuurlijk niveau. De stuurgroep reserveert de benodigde middelen van het Rijk voor ondersteuning (capaciteit voor kernteam en budget voor externe ondersteuning). De stuurgroep zorgt er verder voor dat de definitieve regiegroep wordt geformeerd.

 

Organisatie in de verkenningsfase Organisatie in de verkenningsfase

Samenstelling kwartiermakende stuurgroep en kernteam in de verkenningsfase

Kwartiermakende stuurgroep:

  • Donné Slangen (IenM/DG Ruimte en Water)
  • Roel Feringa (EZ/Natuur en Biodiversiteit)
  • Henri Kool (EZ/DAD/visserij)
  • Wino Aarnink (RWS Midden-Nederland)
  • Marc Hameleers (EZ, regioambassadeur West)
  • Doreen van Elst (OCW/Cultuur en Media)
  • Meindert Smallenbroek (EZ, Energie en Omgeving)

Kwartiermakend kernteam:

  • Rob Bouman: projectleider (IenM, Gebieden & Projecten)
  • Annette Mulder (IenM, Gebieden & Projecten)
  • Albert Remmelzwaal (IenM, RWS WVL)
  • Clasina Jansen (IenM, Gebieden & Projecten)
  • Eelco Hoogendam (EZ, Natuur & Biodiversiteit)
  • Inge Hoogerbrugge (EZ, RVO)
  • Maaike Bos (OCW, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)
  • Milou Joosten (IenM, RWS WVL)
  • Carla van der Gaag (IenM, RWS MN) 

Pieter den Besten (IenM, Gebieden & Projecten) verzorgt de internationale afstemming (o.a. Life IP en Adaptation Futures).
 

Regiegroep

De kwartiermakende stuurgroep groeit uit tot een breder samengestelde regiegroep, bestaand uit vertegenwoordigers van de shareholders. Niet iedere shareholder is dus individueel vertegenwoordigd. De deelnemende partijen dragen gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor de totstandkoming van de Gebiedsagenda, waarbij de regiegroep de individuele verantwoordelijkheid voor beleid, de inzet van instrumenten of de uitvoering van projecten niet overneemt. De regiegroep functioneert als gedelegeerd opdrachtgever en draagt zorg voor:

  • Het stimuleren van de totstandkoming van de Gebiedsagenda in een proces met overheden, beheerders en maatschappelijke   organisaties.
  • Het beschikbaar stellen van middelen en capaciteit voor de totstandkoming van de Gebiedsagenda.
  • Het (aan de voorkant) bespreken van spanningen tussen belangen.
  • Het gezamenlijk vaststellen van de Gebiedsagenda en het vervolgens doorgeleiden daarvan naar de minister van IenM en eventuele mede-opdrachtgevers vanuit de provincies.
     

Gebiedsregisseur

In de verkenningsfase wordt nagegaan of het wenselijk is een onafhankelijk gebiedsregisseur aan te stellen. De gebiedsregisseur krijgt als taak de uitvoering van het proces te stimuleren. Hij/zij houdt daarvoor intensief contact met de regiegroep, de projectleider met zijn kernteam en de bestuurders van de shareholders.
 

Projectleider en kernteam

De projectleider is opdrachtnemer voor de totstandkoming van de Gebiedsagenda. De projectleider is samen met zijn kernteam verantwoordelijk voor het organiseren van het proces en de verwerking van de resultaten daarvan tot een samenhangend geheel. Het kernteam zorgt concreet voor:

  • De regievoering op het proces van de regiodialogen.
  • Het organiseren van een deel van de gebiedsdialogen en het ondersteunen van dialoogtrekkers van buiten het kernteam.
  • Het verwerken en integreren van de resultaten van de gebiedsdialogen en zorgen voor de inhoudelijke onderbouwing, controleren van de inhoudelijke juistheid.
  • Het maken van een eindproduct (inhoud en vormgeving).
     

Flexibele schil rond het kernteam

Rond het kernteam komt een schil van mensen die minder intensief en/of tijdelijk betrokken zijn bij de organisatie van de gebiedsagenda (de flexibele schil). Het gaat om de trekkers van de gebiedsdialogen, voor zover die geen deel uitmaken van het kernteam, en de netwerken (zie de toelichting hieronder).

De trekkers van de gebiedsdialogen zijn afkomstig van de shareholders in het proces. De trekkers organiseren elk een gebiedsdialoog, met ondersteuning vanuit het kernteam, een extern bureau en eventueel mensen uit hun eigen organisatie. Zij zorgen er daarbij voor dat de juiste mensen in de dialoog betrokken worden. Naast de dialogen die vanuit het gebiedsagendaproces worden georganiseerd kunnen bijeenkomsten binnen andere processen in het gebied benut worden. Het kernteam coördineert dit. 

De netwerken worden gevormd om te bevorderen dat informatie stroomt. Ze dragen bij aan community building rond het IJsselmeergebied. Te denken valt aan:

  • Projectleiders van uitvoeringsprojecten.
  • Trekkers van provinciale omgevingsvisies.
  • Dossierhouders voor kernthema’s van de Gebiedsagenda bij verschillende ministeries.

 

Mogelijke organisatie na de verkenningsfase Mogelijke organisatie na de verkenningsfase

Overlegstructuren

Bestaande overlegstructuren in het gebied, zoals het Bestuurlijk Platform IJsselmeergebied (BPIJ), de Stuurgroep Markermeer IJmeer (SMIJ), het Regionaal Overlegorgaan IJsselmeergebied (ROIJ) en de Bestuurlijke Overleggen MIRT worden geïnformeerd over de voortgang van het proces en hebben een adviserende rol.
 

Kennisinstellingen

In het proces van de Gebiedsagenda verbinden we kennisvragers en kennisaanbieders. Kennisinstellingen als Deltares, Alterra, Imares, de TU Delft en STOWA zullen worden betrokken bij het opstellen van een kennis- en innovatieagenda voor het IJsselmeergebied.

 

De verschillende rollen binnen het kernteam, de flexibele schil en de dialoogteams van de Gebiedsagenda De verschillende rollen binnen het kernteam, de flexibele schil en de dialoogteams van de Gebiedsagenda

02-2016

 

...

5 Wanneer gebeurt het?

5 Wanneer gebeurt het?

De eerste planning voor de Gebiedsagenda loopt van december 2015 tot juni 2017, zie ook de afbeelding hieronder. De resultaten van de eerste synthesesessie (najaar 2016) kunnen worden gebruikt in de omgevingsvisies van Rijk en provincies. 

Een adaptieve uitvoeringsagenda en dynamische kennis- en innovatieagenda impliceren dat het proces zich voortzet na het maken van de Gebiedsagenda. Het netwerk blijft bestaan na juni 2017. Over vorm en organisatie kan eind 2016 worden besloten als ervaring is opgedaan met de gebiedsdialogen en de eerste resultaten beschikbaar zijn.

De planning is in verband gebracht met belangrijke momenten voor het IJsselmeergebied, die we ook voor communicatie benutten. Deze momenten zijn weergegeven in het figuur onderaan.

 

Planning van het proces van de Gebiedsagenda Planning van het proces van de Gebiedsagenda
Belangrijke momenten voor de Gebiedsagenda in 2016 en 2017 Belangrijke momenten voor de Gebiedsagenda in 2016 en 2017

02-2016

 

...

6 Wat zetten we in?

6 Wat zetten we in?

Het doorlopen van een adaptief gebiedsproces in co-creatie met betrokken partijen vraagt tijd, geld en middelen. Er is een eerste inschatting gemaakt van de benodigde menskracht en middelen, uitgaande van het geschetste procesontwerp. Deze capaciteit zal in eerste instantie worden geleverd door de ministeries van IenM, EZ en OCW. Het is de bedoeling dat ook andere partijen die meedoen aan het proces van de Gebiedsagenda een bijdrage leveren. Daarbij zijn verschillende vormen denkbaar, bijvoorbeeld in de vorm het organiseren van gebiedsdialogen, ontwerpateliers, deelname aan de stuurgroep, het kernteam en de flexibele schil.

De huidige bezetting van het kwartiermakende kernteam is circa 3,5 fte. Deze capaciteit kan uitgebreid worden met partijen die aangeven in de kern van het proces te willen meedraaien. Rondom het kernteam is een flexibele schil georganiseerd, waarin inhoudelijk deskundige, dossierhouders, trekkers van de gebiedsdialogen, externe ondersteuning (voor zover die geen deel uitmaken van het kernteam) zitten.

In de verkenningsfase zal de opdrachtverlening plaatsvinden voor de externe ondersteuning. De financiële middelen die hiervoor nodig zijn worden gedragen door de rijkspartijen.

Tijdens de verkenningsfase zal de Gebiedsagenda IJsselmeergebied deel uitmaken van het Life IP (Integrated Project) proposal aan de EU. Het gaat om een Life IP aanvraag gericht op het bevorderen van de implementatie van natuurwetgeving, maar waarbij de samenhang met andere sectoren wordt gezocht. Dit sluit aan bij het proces van de Gebiedsagenda. De middelen die het Rijk (IenM, EZ, OCW) reserveert voor de Gebiedsagenda worden tevens ingezet als co-financiering voor dit EU-voorstel. Het full proposal zal voor april 2016 ingediend worden. Op dat moment moet ook de co-financiering geregeld zijn. Wat door het Rijk als co-financiering gereserveerd wordt, blijft als inzet staan, ongeacht de beslissing van de EU om het voorstel wel/niet te honoreren. Als het voorstel wordt goedgekeurd wordt het budget met de EU-bijdrage verhoogd. De looptijd van het Life IP project zal 6 jaar zijn. De eerste twee loopjaren kunnen benut worden om het proces van de Gebiedsagenda extra ondersteuning te geven; de jaren daarna kunnen specifieke projecten op het vlak van natuur-governance (die ook onderdeel zullen zijn van de Gebiedsagenda) extra ondersteuning krijgen.

 

02-2016

 

...

Bijlagen

Bijlagen

Samenvatting beleidsanalyse IJsselmeergebied

Ter voorbereiding op het werk aan de Gebiedsagenda 2050 voor het IJsselmeergebied is een quick-scan uitgevoerd naar het bestaande beleid op het gebied van water, ruimte en natuur. Er is daarbij gekeken naar wet- en regelgeving, rijksbeleid en provinciaal beleid: gemeentelijk beleid is niet meegenomen.

De wet- en regelgeving beschermt bestaande waarden en belangen in het gebied (al dan niet na de realisatie van een herstelopgave). Er zijn duidelijke kaders voor het in stand houden van waterveiligheid, waterkwaliteit (chemisch + ecologisch), natuurwaarden en monumentenbescherming. Daarnaast worden in de wet- en regelgeving de taken en bevoegdheden van de verschillende overheden geregeld en de planvormen waar zij mee werken. Wanneer je je realiseert dat de meren vrijwel geheel Natura2000gebied zijn, dat ze grotendeels omgeven zijn door dijken, dat rond de meren een groot aantal historische stadjes ligt en in het water archeologische waarden aanwezig zijn, dan is duidelijk dat de wet- en regelgeving grote invloed heeft op de ontwikkelmogelijkheden van het IJsselmeergebied.

Het rijksbeleid richt zich op het ontwikkelen en bijstellen kaders in wet- en regelgeving en de borging van nationale belangen. Daarnaast bevat het rijksbeleid visies, die alleen bindend zijn voor het Rijk zelf. Deze visies zijn vrij abstract. Ze bestaan veelal uit uitspraken die als “richtinggevende principes” kunnen worden gezien. Er is daarbij geen sprake van gebiedsgerichte uitspraken. Het Rijk legt op het gebied van ruimtelijke ordening en natuur steeds nadrukkelijker het accent op de rol van de provincie. Dit betekent dat het rijksbeleid de afgelopen tijd versmald is.

In het provinciale beleid (voor zover dat is vastgelegd in integrale nota’s) is nog niet goed herkenbaar dat de rol van de provincies op het gebied van ruimte en natuur versterkt is. Er is mogelijk sprake van een overgangsfase, in de aanloop naar de omgevingsvisies die Rijk en provincies moeten gaan opstellen. In de huidige nota’s valt op dat slechts Flevoland, Noord-Holland en Friesland aandacht besteden aan de meren van het IJsselmeergebied. Net als het rijksbeleid gaat het hierbij vooral om principes en hoofdlijnen en is er nauwelijks sprake van concrete uitwerking op (deel)gebiedsniveau. Deze uitwerking blijkt in de praktijk vaak plaats te vinden in gebiedsprocessen, waarbij overheden en maatschappelijke organisaties samen plannen maken voor deelgebieden.

De visies van Rijk en provincies voor de verschillende beleidsterreinen hebben een vergelijkbare toonzetting. Door de oogharen kijkend komen drie thema’s regelmatig terug:

  1. Verbinden van functies (integrale projecten, het vinden van economische dragers voor monumenten, natuur als vestigingsfactor en economische drager, etc.)
  2. Ontwikkelingsgericht werken (niet alleen focus op behoud).
  3. Adaptief werken aan robuuste/toekomstbestendige systemen. Er is een zeker spanningsveld met de sectorale en sterk behoudsgerichte wet- en regelgeving.

De beleidsthema’s zouden het kader voor de Gebiedsagenda moeten vormen. Dit betekent dat de Gebiedsagenda integraal moet zijn, niet moet uitgaan van statische eindbeelden en verbindingen moet zoeken met relevante economische aspecten. Dit sluit aan bij het advies van de rijksadviseur voor landschap en water, die stelt dat er behoefte is aan zowel een ecologisch-ruimtelijke visie als een economisch-ruimtelijke visie.

Aanvullend op de beleidsanalyse is een overzicht gemaakt van documenten die benut kunnen worden bij het opstellen van de Gebiedsagenda 2050 voor het IJsselmeergebied. Er is veel materiaal beschikbaar, met name op het gebied van water, natuur en landschap. Voor de thema’s cultuurhistorie en toerisme lijken visies en gebiedsdekkende overzichten van waarden echter niet voorhanden te zijn. Het valt te overwegen op deze terreinen voorstudies te laten verrichten, waarvan bij het opstellen van de Gebiedsagenda gebruik gemaakt kan worden.
 

Waar bouwt de Gebiedsagenda op voort?

Er ligt al een stevig fundament waarop de Gebiedsagenda kan voortbouwen, waaronder:

 

Oogst regiobijeenkomst 10 november 2015

De volgende zes pagina’s geven de resultaten weer van een creatieve sessie waarin is geoefend met cross-overs en concepten. Deze creatieve sessie was onderdeel van de regiobijeenkomst op 10 november 2015 te Lelystad. 

...

Basisinformatie

Basisinformatie

Inhoud

 

Inleiding

  1. Waterveiligheid en watervoorziening
  2. Waterkwaliteit
  3. Natuur
  4. Visserij
  5. Duurzame energie
  6. Infrastructuur en transport
  7.  Zandwinning
  8. Drinkwatervoorziening
  9. Landschap
  10. Cultuurhistorie
  11. Recreatie en toerisme

 

05-2016

 

Inleiding

Vanaf mei 2016 gaan we op weg naar de Gebiedsagenda IJsselmeergebied 2050. Mensen vanuit allerlei achtergronden gaan met elkaar in gesprek over het gebied. Ieder brengt zijn eigen kennis mee, maar niemand kan natuurlijk alles wat er in het gebied speelt overzien. We hebben daarom een aantal deskundigen gevraagd om op hun vakgebied beknopt  informatie te geven over het IJsselmeergebied. Die informatie is bij elkaar gebracht in dit document. Het gaat om een bundeling van losse bijdragen: er is geen poging gedaan om de thematische bijdragen te integreren.

De deelnemers in de gebiedsdialogen kunnen met deze bundel een eerste inzicht krijgen in wat er speelt op terreinen waar ze minder goed van op de hoogte zijn. In die dialogen zelf zal veel nieuwe informatie boven tafel komen en zullen ideeën worden ontwikkeld. De resultaten van de dialogen worden vastgelegd in verslagen. We gaan dit startdocument niet aanpassen met deze resultaten: we richten ons op de Gebiedsagenda in wording. Deze bundel met basisinformatie en de groeiende reeks verslagen zijn daarvoor bouwstenen.
 

De redactie:

Albert Remmelzwaal (RWS WVL), Inge Hoogerbrugge (RVO), Annette Mulder (ministerie van IenM) en Milou Joosten (RWS WVL)
 

Met bijdragen van:

Maaike Bos (RCE), Ko Droogers (ANWB), Jan van Essen (Vitens), Erik ten Elshof (ministerie van EZ), Eelco Hoogendam (ministerie van EZ), Erlinde Kuijpers (ministerie van EZ), Hannie Maas (RWS WVL), Albert Remmelzwaal (RWS WVL), Roelof Smedes (RWS MN), Linda Snitsevorg (RWS MN) en Thiery de Wit (ministerie van IenM).

 

05-2016

 

1 Waterveiligheid en watervoorziening

1. Betekenis van het gebied

Het IJsselmeergebied is het grootste merengebied van Noordwest-Europa en heeft een wateroppervlak van 2000 km2. Het merengebied bestaat uit drie compartimenten, die door dijken van elkaar zijn gescheiden: het IJsselmeer (inclusief Ketelmeer, Zwarte Meer en Vossemeer), het Markermeer (met daarmee verbonden het Eemmeer en het Gooimeer) en de Veluwerandmeren. De Afsluitdijk vormt de grens met de Waddenzee (Figuur 1).

De meren van het IJsselmeergebied vervullen een belangrijke rol in zowel de afwatering als de watervoorziening van een groot gebied. Het gebied dat afwatert op het IJsselmeer is ca. 20.000 km2 groot. Het ligt grotendeels in Nederland, maar deels ook in Duitsland. De watervoorziening vanuit het IJsselmeer en Markermeer is van belang voor ruim 30% van Nederland. Het gaat om 13.000 km2, gelegen in de noordelijke helft van het land. Het water wordt onder andere gebruikt voor de landbouw, voor het peilbeheer en de doorspoeling van de regionale watersystemen en als proceswater. Daarnaast wordt uit het IJsselmeer drinkwater gewonnen voor ruim een miljoen mensen. De hoeveelheid water die daarvoor gebruikt wordt is maar een klein deel van de totale onttrekking aan het IJsselmeer. Het gaat echter om een essentiële functie, die hoge eisen stelt aan de waterkwaliteit en de leveringszekerheid.

De Afsluitdijk heeft de veiligheid in de gebieden rond de voormalige Zuiderzee sterk vergroot. Ook nu kunnen echter nog hoge waterstanden optreden (zie paragraaf 3.2). De dijken rond de meren zijn daarom van essentieel belang voor de veiligheid van de laaggelegen gebieden daarachter.

 

2. Hoe werkt het?

De meren worden met water gevoed door de IJssel (die goed is voor 70% van de aanvoer) en door waterafvoer uit de omgeving. Het overschot aan water wordt via spuisluizen in de Afsluitdijk afgevoerd naar de Waddenzee.

Voor zowel de watervoorziening als de waterveiligheid is het peilbeheer een belangrijke factor. Voor elk van de drie compartimenten van het IJsselmeergebied (zie figuur 3.1) zijn streefpeilen vastgelegd (Tabel 1). Voor het IJsselmeer en het Markermeer zijn de streefpeilen gelijk. De Veluwerandmeren hebben een iets hoger streefpeil, waardoor de afvoer van water naar het Markermeer beter verloopt.

In alle meren is het streefpeil voor de zomer hoger dan voor de winter. Het lagere streefpeil voor de winter maakt waterafvoer uit de regio eenvoudiger en is van belang voor de waterveiligheid. Het hogere streefpeil in de zomer maakt wateraanvoer naar de regio mogelijk. In de praktijk kunnen de waterstanden sterk afwijken van de streefpeilen. Hoge waterstanden komen voor in perioden met grote wateraanvoer en/of beperkte mogelijkheden om te spuien. Figuur 2 geeft voor het IJsselmeer, naast het streefpeil, voor iedere dag van het jaar de gemiddelde, de hoogste en de laagste gemeten waterstand weer.

 

3. Opgave

De belangrijkste opgave op het gebied van waterveiligheid en watervoorziening is het blijvend garanderen van de waterveiligheid en de watervoorziening, bij verandering van het klimaat. Concreet gaat het daarbij om:

  • zorgen voor voldoende waterafvoermogelijkheden naar de Waddenzee bij stijgende zeespiegel en toenemende piekafvoeren van de IJssel;
  • zorgen voor voldoende waterbeschikbaarheid bij toenemende droogtes en afnemende wateraanvoer door de IJssel in de zomer;
  • zorgen voor aanpassing van de dijken aan nieuwe inzichten.

 

4. Gemaakte keuzes

Het beleid voor waterveiligheid en watervoorziening is vastgelegd in het Nationaal Waterplan 2016-2021.

Waterafvoer. Het gemiddelde winterpeil in het IJsselmeer stijgt in ieder geval tot 2050 niet mee met de zeespiegel. Waterafvoer naar de Waddenzee wordt veiliggesteld door middel van een combinatie van spuien en pompen. Voor de periode na 2050 wordt beperkt meestijgen van het winterpeil met de zeespiegel als optie opengehouden. Het gaat daarbij om maximaal 30 cm. In de andere meren in het IJsselmeergebied blijft het gemiddelde winterpeil na 2050 gehandhaafd.

Waterbeschikbaarheid. De strategische zoetwaterfunctie van het IJsselmeer-gebied wordt versterkt door flexibeler peilbeheer in het IJsselmeer en het Markermeer-IJmeer en de Zuidelijke Randmeren die daarmee in open verbinding staan (Gooimeer, Eemmeer en Nijkerkernauw). Met flexibel peilbeheer wordt een buffervoorraad zoetwater gecreëerd. Daarmee kan ook in perioden dat de wateraanvoer kleiner is dan de watervraag aan de behoefte worden voldaan. Tegelijk met de vergroting van de waterbeschikbaarheid wordt gewerkt aan efficiënter gebruik van het water.

Na de eerste stap in de flexibilisering van het peilbeheer is de buffervoorraad 20 cm waterschijf, wat overeenkomt met 400 miljoen m3 . Als het verschil tussen vraag en aanbod zou toenemen kunnen verdere stappen in de flexibilisering gemaakt worden. Naar verwachting is dit niet voor 2050 aan de orde.

Waterveiligheid. Er is een nieuwe benadering van de waterveiligheid uitgewerkt, die is gebaseerd op een risicobenadering. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar de kans op een overstroming, maar ook naar de gevolgen van een dijkdoorbraak op een specifieke locatie. Elk dijktraject krijgt een passend beschermingsniveau, dat wordt vastgelegd in de Waterwet. De nieuwe normen worden waarschijnlijk per 1 januari 2017 van kracht. Het is vervolgens de bedoeling dat de dijken uiterlijk 2050 daadwerkelijk aan de nieuwe normen voldoen. Voor veel dijken in het IJsselmeergebied betekent dit een extra versterkingsopgave. Bij het realiseren van het gekozen beschermingsniveau blijft preventie van overstromingen voorop staan: dijkversterking dus. Hierbij wordt intensief gezocht naar mogelijkheden voor synergie met ruimtelijk-economische opgaven, natuurontwikkeling, zoetwatermaatregelen en cultureel erfgoed.

 

5. Samenhang

  • Aanpassingen in het peilbeheer (zowel stijging van het gemiddeld winterpeil als flexibilisering van het zomerpeil) kunnen van invloed zijn op de natuur van oevergebieden en ondiep water en op recreatievoorzieningen als strandjes en aanlegplaatsen. Bij de tot 2050 gemaakte keuzes zullen de effecten echter heel beperkt zijn.
  • Peilverhoging kan leiden tot versterkte erosie van onbeschermde buitendijkse gebieden. In het flexibel peilbeheer komen periodes met een beperkte verhoging van het voorjaars- en zomerpeil. Er kan niet volledig worden uitgesloten dat op gevoelige plaatsen hierdoor enige toename van erosie optreedt.
  • De grootschalige dijkversterkingsprojecten bieden in principe mogelijkheden om andere wensen en ambities aan te laten sluiten en zo tot meer integrale inrichtingsprojecten van de oeverzone te komen.

 

6. Projecten

  • Hoogwaterbeschermingsprogramma. Het hoogwaterbeschermingsprogramma zorgt voor de versterking van dijken die zijn afgekeurd. In het IJsselmeergebied zijn dat nu o.m. de Houtribdijk en de Noord-Hollandse Markermeerdijken. Als vanaf 2017 volgens de nieuwe normen wordt getoetst, zullen er meer dijken worden afgekeurd. Het is de bedoeling dat in 2050 alle dijken aan de nieuwe normen voldoen.
  • Afsluitdijk. Het project Afsluitdijk zorgt voor versterking van de dijk, renovatie van de kunstwerken daarin en voor het bouwen van pompen in het spuicomplex bij Den Oever.
  • Peilbesluit. Het project bereidt een nieuw peilbesluit voor, dat flexibel peilbeheer mogelijk maakt. Het zusterproject operationalisering flexibel peilbeheer ontwikkelt concrete criteria voor de uitvoering van het flexibel peilbeheer.
  • Friese Kust. Het project Friese Kust moet voorkomen dat flexibel peilbeheer leidt tot meer erosie van de buitendijkse natuurgebieden in Friesland.
  • Waterveiligheid en peilbeheer. De integrale studie waterveiligheid en peilbeheer onderzoekt de interactie tussen de waterafvoercapaciteit, peilbeheer en de benodigde sterkte van dijken, als voorbereiding op de beleidskeuzes die voor de periode na 2050 gemaakt moeten worden.

 

7. Literatuur

  • Nationaal Waterplan 2016-2021. Ministerie van Infrastructuur en Milieu & Ministerie van Economische Zaken. December 2015.
  • Een veilig en veerkrachtig IJsselmeergebied: synthesedocument Deltaprogramma IJsselmeergebied. 2014.

 

05-2016

 

Figuur 1 Overzicht van het IJsselmeergebied Figuur 1 Overzicht van het IJsselmeergebied
Tabel 1 Streefpeilen voor de drie compartimenten van het IJsselmeergebied Tabel 1 Streefpeilen voor de drie compartimenten van het IJsselmeergebied
Figuur 2 Gemeten waterstanden in het IJsselmeer: minimum, maximum en gemiddelde waterstand per datum in de periode 1976 t/m 2012. De waarden zijn de gewogen gemiddelden van vier meetpalen, verspreid over het meer. Figuur 2 Gemeten waterstanden in het IJsselmeer: minimum, maximum en gemiddelde waterstand per datum in de periode 1976 t/m 2012. De waarden zijn de gewogen gemiddelden van vier meetpalen, verspreid over het meer.

2 Waterkwaliteit

Betekenis van het gebied

De afsluiting van de Zuiderzee met de Afsluitdijk, de aanleg van de Houtribdijk en de inpolderingen hebben een behoorlijke impact gehad op de waterhuishouding, de waterkwaliteit en de ecologie in het IJsselmeergebied. Van een zoute Zuiderzee is het water veranderd in een groot zoetwatergebied met verschillende functionaliteiten. 

De kwaliteit van het water in het IJsselmeergebied is van groot belang voor een schone en gezonde leefomgeving. Het water wordt gebruikt voor drinkwater, landbouw, koelwater en diverse takken van water- en oeverrecreatie. De vis in het gebied is van belang voor zowel de sportvisserij als de beroepsvisserij. Het water van het IJsselmeergebied wordt ook gebruikt voor de watervoorziening van een groot deel van de omliggende gebieden. Vooral in droge periodes in de zomer wordt water ingelaten voor peilbeheersing, landbouw, verbetering van de waterkwaliteit, voor doorspoeling om algenbloei tegen te gaan en om het zout in het Noordzeekanaal zoveel mogelijk terug te dringen. Daarnaast heeft het IJsselmeergebied een belangrijke natuurfunctie. Het gebied is onder meer een schakel in de vogeltrekroutes tussen Siberië en Afrika. Vogels foerageren, rusten en ruien in het gebied en broeden er ook. 

Al deze functionaliteiten zijn gebaat bij een gezond watersysteem, dat rijk is aan bodem- en waterleven (waterplanten, vissen en bodemfauna) en waarvan de waterkwaliteit voldoende schoon is.

 

Hoe werkt het?

De Europese Kaderrichtlijn Water is leidend voor het realiseren van een goede ecologische en chemische toestand van het IJsselmeergebied. Omdat herstel van de oorspronkelijke (zoute) situatie ongewenst is, zijn de ecologische doelen gerelateerd aan de huidige situatie: zoete,  gebufferde meren. Het IJsselmeergebied is voor waterkwaliteit opgedeeld in zes waterlichamen: IJsselmeer, Ketelmeer-Vossemeer, Randmeren-oost en -zuid, Markermeer en het Zwarte Water.
De chemische waterkwaliteit van het IJsselmeergebied staat onder invloed van doorbelasting van de Rijn, dat via de IJssel en het Ketelmeer-Vossemeer in het IJsselmeer terecht komt. De Vecht watert via het Zwarte Meer rechtstreeks af op het IJsselmeer. Het overtollige water uit het Markermeer en de Randmeren-oost en-zuid wordt op het IJsselmeer gespuid.

De ecologische waterkwaliteit is ten opzichte van 2009 licht verbeterd. De biologische kwaliteitselementen scoren in de meeste waterlichamen matig tot goed. In het IJsselmeer en Markermeer treden nog enkele knelpunten op voor fytoplankton. Macrofauna scoort over het algemeen nog matig. Op grond van de Kaderrichtlijn Water (KRW)-doelen is de visstand in de waterlichamen – met uitzondering van het IJsselmeer – goed. Vanuit het gezichtspunt van de visserij en de draagkracht van het gebied voor visetende watervogels is dit echter niet het geval (zie de hoofdstukken Natuur en Visserij).

De gehalten aan nutriënten laten een gestage verbetering zien als gevolg van de jarenlange inspanning om emissies te verminderen. Maar in vrijwel alle waterlichamen komen nog lichte overschrijdingen voor. Opvallend is de verhoogde zuurgraad in bepaalde periodes van het jaar - met name in de zomer - in het IJsselmeer, Markermeer en de Randmeren-zuid. Het doorzicht in het Markermeer scoort slecht ten gevolge van de slibproblematiek. De bodem van het Markermeer bestaat voor het grootste deel uit klei en zware zavel. Wind veroorzaakt golven en stroming die het bodemslib continu opwervelen en het water troebel maken.

Chemisch voldoet het IJsselmeergebied in 2015 nog niet overal aan de goede toestand van de KRW. In een aantal waterlichamen overschrijden nikkel, kwik, tributyltin en Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK’s) de KRW-eisen. Gemiddeld voldoet echter 98% van de prioritaire stoffen aan de kwaliteitseisen. Kwik, tributyltin en PAK’s behoren tot de stoffen waarvoor reeds uitvoerig maatregelen zijn getroffen om de emissies te beperken of te beëindigen. Door het persistente karakter van deze stoffen blijven ze echter nog lang in het milieu aanwezig. 
Van de biologie ondersteunende stoffen (specifieke verontreinigende stoffen) voldoet gemiddeld 92% aan de norm. Overschrijdingen vinden plaats van benzo(a)anthraceen, barium (Ketelmeer), kobalt, zink, seleen en uranium. Naar de betekenis van de overschrijding en de achtergrondconcentratie van barium, seleen en uranium loopt een landelijk onderzoek. In de Randmeren-zuid en het Zwarte Meer komt regelmatig overschrijding van ammonium voor.
 

Opgave

De opgave voor de waterkwaliteit van het IJsselmeergebied bestaat uit de volgende onderdelen:

  • Het verbeteren van de vispasseerbaarheid van kunstwerken, toepassen van duurzame visserij en het verbeteren van paai- en opgroeigebieden voor vissen.
  • De aanpak van de slibproblematiek in het Markermeer, waardoor een robuuster ecosysteem ontstaat.
  • Het aanleggen en onderhouden van overgangen van land naar water ten behoeve van de KRW- en Natura 2000 opgaven.
  • Het terugdringen van nutriëntenbelasting om de goede toestand te bereiken voor bepaalde planten, vissen en andere diersoorten. 
  • Het terugdringen van vervuilende stoffen.
  • Het beschermen van de drinkwaterzone.

 

Gemaakte keuzes

Het beleid voor waterkwaliteit is vastgelegd in het Nationaal Waterplan 2016-2021. De uitvoering van maatregelen voor het IJsselmeergebied is toegelicht in het Beheer- en Ontwikkelplan voor de rijkswateren (2016-2021).

Verbeteren van het ecosysteem voor vissen en andere doelsoorten
In het IJsselmeer is de aanvoer van nutriënten naar het watersysteem afgenomen. Dat is goed voor de kwaliteit maar leidt tot een lagere draagkracht van het ecosysteem voor bepaalde doelsoorten. Maatregelen ter verbetering van geschikte habitats voor waterplanten dragen bij aan de diversiteit van de visstand en de kwaliteit voor macrofauna. Toepassing van duurzame visserij is gericht op een blijvend economisch rendement, een evenwichtiger samenstelling van de vispopulatie, voldoende prooivisaanbod voor visetende watervogels en minimale sterfte van vogels in de netten. Ook de aanleg van de vispassages in kunstwerken om de vistrek naar het omliggende gebied te bevorderen dragen in belangrijke mate bij aan de kwaliteitsverbetering van het ecosysteem.

Aanpak slibproblematiek in het Markermeer
De bodem van het Markermeer is voor een groot deel afgedekt met een deken van fijn slib. Door wind en golfslag is het water vaak troebel door opwoelend slib. Dit vormt een bedreiging voor diverse waterorganismen en waterplanten, waardoor paai- en opgroeigebied voor vis en het voedselaanbod voor vogels onder druk staat. Aanleg van eilanden met behulp van dit slib met natuuroevers (de Markerwadden) en luwtemaatregelen (Hoornse Hop) bevorderen de helderheid van het water, waardoor waterplanten, mosselen en vis beter zullen gedijen.

Aanleg en onderhoud van overgangen van land naar water
In het IJsselmeergebied zijn weinig natuurlijke moeras- en oeverzones aanwezig, doordat op veel plaatsen de overgangen tussen dijk en het water steil zijn. De uitbreiding van ondiepe zones wordt bespoedigd door aanleg van eilandjes en het uitbreiden van ondiepe zones in de randmeren.

Terugdringen van nutriëntenbelasting
De gehalten aan nutriënten in IJsselmeer en Markermeer worden voornamelijk bepaald door vrachten uit het buitenland. Daarnaast is de belangrijkste bron voor nutriënten de belasting vanuit agrarische gebieden en het effluent van rioolwaterzuiveringsinstallaties. Het landelijk beleid voor de agrarische emissies gericht op het halen van de doelen van de Nitraatrichtlijn, is vastgelegd in het 5e Actieprogramma Nitraatrichtlijn (2014 – 2017). In het Deltaplan Agrarisch Waterbeer (DAW) staat beschreven hoe de land- en tuinbouw kan bijdragen aan het oplossen van de wateropgaven, in combinatie met het versterken van de land- en tuinbouw. In het IJsselmeergebied wordt gekeken waar de belasting vandaan komt en welke maatregelen gericht genomen kunnen worden.

Terugdringen van vervuilende stoffen
Het beleid voor de (chemische) waterkwaliteit is vastgelegd in het Nationaal Waterplan 2016-2021. Het kabinet hecht groot belang aan het halen van de ecologische en chemische KRW-doelstellingen en aan het bestrijden van nieuwe stoffen die de chemische waterkwaliteit beïnvloeden, zoals geneesmiddelen en microplastics. Begin 2016 is hiervoor een gezamenlijk werkprogramma Delta-aanpak Waterkwaliteit en Zoetwater opgesteld.

Het kabinet heeft de volgende opgaven voor stofgroepen geformuleerd:

  • In 2023 moet de emissie van gewasbeschermingsmiddelen zodanig verminderd zijn, dat de normoverschrijdingen met 90% zijn afgenomen (Nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst - 2de nota Gewasbescherming).
  • Het terugdringen van de belasting van geneesmiddelen wordt via een ketengerichte benadering - bij de bron, bij voorschrijven gebruik en in de afvalfase – aangepakt.
  • Plastic zwerfvuil (microplastics) moet zo vroeg mogelijk in de keten teruggedrongen worden om te voorkomen dat dit in het milieu terecht komt (Kunststofketenakkoord). 
  • Landelijke maatregelen om emissies van verontreinigingen terug te dringen loopt via het brongerichte spoor via vergunningen en algemene regels. Dit geldt zowel voor stoffen met een kwaliteitseis voor de KRW (Besluit Kwaliteitsdoelstellingen en Monitoring Water en de onderliggende Ministeriële regeling monitoring) als voor  overige stoffen die lokaal de waterkwaliteitsnormen kunnen overschrijden en voor ‘zeer zorgwekkende stoffen’ met         ernstige gevaarseigenschappen (Handboek wet- en regelgeving Waterbeheer), waarvan de restlozing continu verdergaand geminimaliseerd moet worden. 

Bescherming van de drinkwaterzone
Op basis van het Uitvoeringsprogramma van het gebiedsdossier voor drinkwater, voert Rijkswaterstaat in samenwerking met de gebiedspartners onderzoek uit naar de risico’s van scheepvaart in de drinkwaterbeschermingszone en naar mogelijke preventieve en curatieve maatregelen ter beheersing van de risico’s. Daarnaast wordt onderzoek uitgevoerd naar de regionale bijdrage aan de toename van stoffen die de kwaliteitseisen uit de drinkwaterregeling overschrijden.
 

Samenhang

  • De maatregelen die genomen worden voor de aanleg van eilandjes, ondiepe zones en overgangen van land en water dienen ook de doelen van Natura 2000.
  • Maatregelen in het kader van duurzame visserij zijn van invloed op het economische belang voor de beroepsvisserij.
  • Bescherming van de drinkwaterzone kan leiden tot het nemen van extra maatregelen voor de scheepvaart om risico’s van contaminatie (vervuiling) te voorkomen.
  • Een goede waterkwaliteit is van groot belang voor recreatie en toerisme. Aandachtspunt in de afweging van waterkwaliteit en recreatie is het al of niet maaien van waterplanten.             Rijkswaterstaat houdt alleen de vaargeul vrij van waterplanten voor zover deze hinder veroorzaken voor het scheepvaartverkeer.

 

Projecten

Midden-Nederland heeft voor het IJsselmeergebied een groot aantal maatregelen opgesteld om de bovengenoemde opgave voor waterkwaliteit aan te pakken. De inrichtingsmaatregelen worden bijgehouden op een projectenkaart Omgeving IJsselmeergebied (MN, 2016). 

Belangrijke projecten zijn:

  • Toepassen duurzame visserij: door alle betrokken partijen is een Masterplan Visserij opgesteld om de visstand te verbeteren. Een belangrijk punt in de aanpak is de vermindering van de beroepsvisserij. In eerste instantie is een reductie van de visvangst beoogd door de omvang van de netten met 85% te verminderen.
  • Vispassages kunstwerken: op een groot aantal locaties in het IJsselmeergebied worden vispassages aangelegd om de vistrek naar het omliggende gebied te bevorderen. Voor de Afsluitdijk wordt binnenkort een definitief besluit genomen over de aanleg van een vismigratierivier, waarbij trekvis eenvoudiger van zout naar zoet water en vice versa kan passeren.
  • Markerwadden: de aanleg van natuureilanden in het Markermeer. Voor de aanleg van de eilanden wordt het aanwezige bodemslib gebruikt. Luwtes en minder aanwezigheid van slib  zal resulteren in helderder water, waardoor herstel van het ecosysteem plaats kan vinden.
  • Luwtemaatregel Hoornse Hop: aanleg van golfluwe zones rond het Hoornse Hop bij Hoorn. Door de luwtes zal helderder water ontstaan, waardoor waterplanten, mosselen en spiering beter gedijen.
  • Inrichting ondiepe zones randmeren en Zwarte Meer: aanleg van eilandjes in het Zwarte Meer en Ketelmeer voor het uitbreiden van ondiepe zones ten behoeve van waterplanten en vissen. Door de eilanden met riet te beplanten dient dit tevens een Natura 2000 doel. In de Randmeren worden nat/droog overgange gecreeërd om ontwikkelingsmogelijkheden voor waterplanten te bevorderen. In het Reevediep worden grote arealen rietmoeras ingericht.
  • Terugdringen van de nutriëntenbelasting: in het IJsselmeergebied wordt het terugdringen van nutriëntenbelasting aangepakt via vergunningverlening. Het opstellen van water- en stoffenbalansen, aangevuld met onderzoek naar het uitslaan van voedselrijk water en nalevering van nutriënten uit de waterbodem, moet bijdragen aan het gericht kunnen nemen van maatregelen. Maatregelen voor het terugdringen van nutriënten moet ook bijdragen aan de vermindering van de overschrijding van ammonium.
  • Terugdringen van vervuilende stoffen: landelijk onderzoek naar de herkomst van de normoverschrijdende specifieke verontreini gende stoffen, het achtergrondgehalte van metalen en naar mogelijke maatregelen tegen lozingen, emissies en verliezen. In het IJsselmeergebied gaat het om de stoffen benzo(a)anthraceen en metalen kobalt, zink, uranium en seleen.

Literatuur

  • Nationaal Waterplan 2016-2021. Ministerie van Infrastructuur en Milieu & Ministerie van Economische Zaken. December 2015.
  • Stroomgebiedbeheerplan Rijn 2016 – 2021. Ministerie van Infrastructuur en Milieu. 2015.
  • Factsheets KRW versie 3.34, behorende bij de plannen 2016-2021. 
  • Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2016 – 2021. Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Rijkswaterstaat 2015. 
  • Ecologisch perspectief IJsselmeergebied, 2007. A. Remmelzwaal e.a. RWS-RIZA 2007-008.

 

05-2016

 

3 Natuur

Betekenis van het gebied

De Zuiderzee was lang een ondiep brak-zout getijdengebied van overstromingsmoerassen. Een lange geul verbond de IJssel met de zee. Met de aanleg van de Afsluitdijk in 1932 veranderde de Zuiderzee langzaam maar ingrijpend in een groot, zoet binnenmeer, het IJsselmeer. Door de Flevopolders werd het meer kleiner. De Houtribdijk scheidt het Markermeer van het IJsselmeer.

Het IJsselmeergebied heeft natuurwaarden van internationale betekenis. De belangrijkste internationaal erkende natuurwaarden van nu in dit gebied zijn de broedvogels zoals roerdomp, lepelaar en visdief en de duikeenden en zaagbekken in de winter. Het is een groot, tamelijk ondiep zoetwatermeer, dat grotendeels begrensd is door dijken en dammen. Wat betreft de ecologische betekenis is de openheid en de grootschaligheid van het gebied van groot belang. Zeer grote aantallen watervogels fourageren en ruien hier, in het bijzonder viseters en vogels die hun voedsel op de bodem van het meer zoeken. Ondieptes en buitendijkse droge gronden zijn vooral aanwezig langs de Friese kust, waar velden waterplanten en veenmoerasrietlanden voorkomen.

Na de afsluiting van de Zuiderzee verzoette het IJsselmeer binnen een tijdsbestek van twee jaar. Het huidige IJsselmeer omvat vooral het meest dynamische deel van de voormalige Zuiderzee, nl. het gedeelte waar het IJsselwater afboog in de richting van de Waddenzee. Daardoor is het sediment voornamelijk zandig en waren in het westelijke deel van het gebied aanvankelijk diepe stroomgeulen aanwezig, die wel negen meter diep waren. Inmiddels heeft zich daarin een twee tot drie meter dikke laag slib afgezet. Gemiddeld is het meer ongeveer 4,5 meter diep. 

Het streefpeil is vastgesteld op -40 cm in de winter en -20 cm in de zomer. Het water wordt voor 80% aangevoerd door de IJssel en heeft een verblijftijd van 3,5 tot 5 maanden. Vooral in het voorjaar kan het redelijk helder zijn. Omdat de hoeveelheid voedingsstoffen in het water is afgenomen, treedt de laatste vijftien jaar vaker voedselbeperking voor de algengroei op, waardoor het water vooral in het voorjaar aan helderheid heeft gewonnen.

Ruim tachtig jaar na de afsluiting heeft het gebied nog steeds geen natuurlijk evenwicht bereikt. Daarnaast zijn er slibproblemen in het Markermeer. De hoeveelheid vis neemt sinds 1980 sterk af; de soortenrijkdom aan vis is daarentegen toegenomen. De afname van de hoeveelheid biomassa aan vis komt onder meer doordat het water steeds minder rijk aan voedsel is. Daarnaast heeft de bevissing ertoe geleid dat het aantal grote vissen is afgenomen. De aanwezigheid van de Quaqqamossel, een nieuwe exoot, leidt ertoe dat er minder eten is voor de vis. De stijgende temperatuur van het water is nadelig voor spiering, een vissoort die voedsel is voor grotere vissen.

Met betrekking tot de natuurwaarden van het IJsselmeer springen allereerst de watervogels in het oog. Door de schaal van het gebied in combinatie met de beperkte diepte komen verscheidene soorten naar het gebied, vooral viseters en bodemfaunaeters. Onder de viseters gaat het om fuut, aalscholver, nonnetje, grote zaagbek, dwergmeeuw, visdief en zwarte stern. Voor veel van deze vogels is het IJsselmeergebied het belangrijkste gebied in Nederland. De afname van spiering (als gevolg van een complex van factoren) heeft zijn weerslag gehad op de aantallen vogels. Recreatiedruk is mogelijk een oorzaak voor het verdwijnen van grote ruiconcentraties van vooral de fuut. Nieuwe broed- en pleisterplaatsen met voldoende rust (vogeleiland de Kreupel) hebben een positieve invloed op de vogelstand. Naast broeders van de kale grond, zoals kluten en plevieren, maakten ook aalscholvers en visdieven gebruik van de hier geboden nieuwe mogelijkheden.

Kuifeend, tafeleend, toppereend en brilduiker voeden zich vooral in de wintermaanden vrijwel uitsluitend met driehoeksmosselen. Na een sterke toename eind jaren tachtig, namen de aantallen vogels weer af door verbetering van de situatie in de Waddenzee en als gevolg van het ecologisch herstel in de Veluwerandmeren.

Planteneters profiteerden in het IJsselmeer van een toename van de waterplanten langs de Friese kust, die te danken is aan het verbeterde doorzicht van het water in het voorjaar. Vooral zwanen namen in aantal toe. Veel van de overige faunawaarden zijn geconcentreerd langs de Friese kust, zoals broedvogels van moeras en grasland (snor, rietzanger, porseleingoed en kemphaan, maar ook meervleermuis en Noordse woelmuis). De populatie van de Noordse woelmuis is sterk gekrompen en versnipperd als gevolg van verslechtering van de habitatkwaliteit (verdroging).

Het IJsselmeer vormt een belangrijk doortrekgebied voor diverse soorten trekvogels en is in potentie een belangrijk paai- en opgroeigebied voor estuariene vissoorten. Toenemende aantallen van de zeeforel, rivierdijk en zeeprik weten de route naar het IJsselmeer te vinden. Dat geldt ook voor verdwenen soorten, zoals de grote marene en de houting, die dankzij buitenlandse herintroductieprogramma’s weer voorkomen.

De botanische kwaliteiten van het IJsselmeer zijn langs de Friese kust geconcentreerd. In het water is de ondergedoken vegetatie goed ontwikkeld; het is divers en niet gedomineerd door kranswieren. Hier en daar zijn nog enkele soorten te vinden die verwijzen naar het zilte verleden. Op het droge zijn meer zoutrelicten te vinden, maar door de voortschrijdende ontzilting zijn deze soorten op hun retour. Op de harde oevers langs het IJsselmeer is een zonering te vinden van wieren en korstmossen, waar ruiende knobbelzwanen zich plachten te voeden. De grootste botanische waarden vormen de graslanden, moerassen en ruigten van de aanwezige buitendijkse delen. In de buitendijkse waarden komen rietlanden en ruigten voor, soms uitgestrekt of drassig. De hydrologische omstandigheden en daarbij behorende plantengemeenschappen komen hier voor bij de gratie van het vastgestelde waterpeil. Een grotere peildynamiek zal een bedreiging vormen voor de moerassoorten, maar zal de meer oevergebonden gemeenschappen en de overgangszone van land naar water juist verrijken.

 

Hoe werkt het?

Het IJsselmeergebied is een complex systeem waar natuur, waterveiligheid, zoetwatervoorziening, recreatie en visserij nauw met elkaar samenhangen. Het systeem is nog volop in beweging. Na de grote waterbouwkundige ingrepen uit de 20e eeuw is er (nog) geen evenwicht ontstaan. Daarnaast zijn er steeds veranderingen in inrichting, gebruik, beheer en belasting met nutriënten. Ook de klimaatverandering heeft invloed. Deze veranderingen werken door in het systeem. De menselijke invloed op het ecosysteem van het IJsselmeergebied is groot.

Natuurbeheer en -ontwikkeling wordt geregeld via de Natura 2000 doelstellingen. Het IJsselmeergebied kent 6 Natura 2000 gebieden: 

  • IJsselmeer;
  • Markermeer-IJmeer;
  • Eemmeer & Gooimeer;
  • Veluwerandmeren;
  • Ketelmeer & Vossemeer;
  • Zwarte Meer.

Voor al deze gebieden worden binnenkort de ontwerpbeheerplannen vastgesteld. IenM/RWS is voortouwnemer voor de beheerplannen voor het IJsselmeergebied. Na het vaststellen van de ontwerpbeheerplannen worden deze ter inzage gelegd en kunnen belanghebbenden hun zienswijze hierop kenbaar maken. Na behandeling van de zienswijzen worden de beheerplannen definitief vastgesteld.

 

Opgave

De natuuropgave bestaat uit de instandhoudingsdoelen in het kader van Natura 2000: behoud, uitbreiding of verbetering van kwaliteit. Het regulier beheer wordt door Rijkswaterstaat verzorgd.

In het toekomstbeeld van de Natuurambitie Grote Wateren beschikt het IJsselmeer over veel ondiepten waar grote velden waterplanten gedijen. De ondiepten vormen de basis voor de natuurwaarde van het gebied. Het bodemleven, met onder andere mosselen, is divers en massaal. Allerlei vissoorten bevolken het relatief heldere water en vinden er schuilplaatsen. Daarmee is de onderkant van de voedselpiramide breed en rijk genoeg voor foeragerende vogelsoorten. Door eilanden aan te leggen zijn broedplekken gerealiseerd voor op grond broedende vogels.
Drie factoren hebben hieraan bijgedragen: slib, inrichting en peilbeheer.

In het toekomstbeeld is het slibprobleem in het Markermeer succesvol aangepakt; luwtegebieden zijn aangelegd, waardoor het slib kan bezinken. Door slim te baggeren is er minder slib. Het aanwezige slib verzamelt zich in diepere delen, en bezinkt in de luwe gebieden. De aanleg van de MarkerWadden is een doorbraak geweest; mosselen en waterplanten hebben een filterende invloed.

Het IJsselmeergebied is in het toekomstbeeld een goede plek voor vissen. Er is een zoet-zoutverbinding tussen IJsselmeer en Waddenzee en het IJsselmeer en Markermeer zijn voor vissen verbonden. Door de zoet-zoutverbinding is het aantal vissoorten in het IJsselmeer enigszins toegenomen. De meren zijn ook verbonden met het land achter de dijken. Er zijn vooroevers en moerassen, al dan niet drijvend, paaiplaatsen en dekking. Ecologisch baggeren zorgt voor allerlei etages tussen diep en ondiep water. Daardoor zijn allerlei soorten zoetwatervis in alle leeftijdsgroepen aanwezig. Doordat geoogst wordt naar draagvlak van het ecosysteem, wordt dat versterkt.
Ten aanzien van het peilbeheer is in het toekomstbeeld een meer natuurlijker situatie ontstaan, waarbij aan het einde van de winter en nog voor het broedseizoen het waterpeil korte tijd wordt opgezet. In de zomer beweegt het peil mee met regenval en variaties in de wateraanvoer door de IJssel. Deze fluctuatie zorgt voor extra dynamiek en heeft positieve gevolgen voor de natuur.

Het toekomstbeeld uit de Natuurambitie Grote Wateren zorgt voor een meer natuurlijk systeem, waardoor robuuste natuur ontstaat. Voor het toekomstbeeld is het van belang de oppervlaktes van  ondiep water, moeras, droogvallende platen en luwtegebieden te vergroten. Om te zorgen dat vissen en andere waterdieren zich kunnen verplaatsen zoals in het toekomstbeeld, is het nodig verbroken verbindingen te herstellen.
 

Gemaakte keuzes

Instandhoudingsdoelen voor Natura 2000: zie aanwijzingsbesluiten en ontwerpbeheerplannen (www.natura2000.nl). De aanwijzingsbesluiten en beheerplannen geven gedetailleerd aan welke habitats en soorten worden beschermd en waarvan de instandhouding moet worden verbeterd. Hier Het betreft hier de Habitatrichtlijnen H3140; H3150; H6430; H7140; H1163; H1318; H1340 en H1903.
 

Samenhang

Het toekomstbeeld vanuit de Natuurambitie heeft de volgende effecten op andere functies en thema’s:

  • Aantrekkelijker voor recreanten en toeristen: netto open oppervlak neemt af, maar ontwikkeling van robuuste en gevarieerde natuur voegt waarde toe.
  • Verbetering van natuurkwaliteiten maakt het woon- en leefklimaat voor bewoners van de omliggende gebieden aantrekkelijker, en dat draagt bij aan een breder sociaal-economisch draagvlak voor de lokale en regionale gemeenschappen.
  • Vissers profiteren van meer soorten vis en een gezonde leeftijdsopbouw per soort. De sportvisserij kan groeien, aangezien er ook voorzieningen worden aangelegd. Voor de beroepsvisserij telt dat de totale biomassa van commercieel te bevissen soorten in het IJsselmeer afneemt. Het aanwezige bestand moeten duurzaam in stand worden gehouden, waardoor oogsten mogelijk blijft. De vangst past binnen de natuurlijke draagkracht van het systeem.
  • Voor de landbouw is de zomerse zoetwatervoorziening van belang. De oppervlakte landbouwgrond neemt iets af door de aanleg van achteroevers, maar het effect daarvan is gering.
  • De Natuurambitie heeft naar verwachting geen effecten voor scheepvaart, industrie, handel en delfstoffenwinning in het IJsselmeergebied.

 

Projecten

  • Marker Wadden
  • Vismigratierivier Afsluitdijk
  • Luwtemaatregelen Hoornsche Hop
  • Zandwineiland
  • Versteviging Houtribdijk
  • Markermeerdijken

 

Literatuur

  • Natuurambitie Grote Wateren
  • Een ecologisch perspectief voor het IJsselmeergebied
  • Kenschets IJsselmeergebied inzake Natura 2000
  • www.natura2000.nl

 

05-2016

Marker Wadden, bron: Natuurambitie Grote Wateren Marker Wadden, bron: Natuurambitie Grote Wateren
...

4 Visserij

4 Visserij

Betekenis van het gebied

Het IJsselmeer/Markermeer/IJmeer (hierna IJsselmeer) was tot eind jaren tachtig een rijke visgrond waar de beroepsvisserij naast aal, ook schubvis onttrok. Er vond ook een behoorlijke sportvisserij plaats. Het ecosysteem is nog steeds niet stabiel (er zijn nog steeds effecten van de aanleg van Afsluitdijk) en met de vermindering van eutrofiëring van het water, de opkomst van exoten en de visserijdruk, zijn de commerciële visbestanden sinds de jaren negentig sterk gedaald en in soortensamenstelling veranderd. Het aalbeheerplan heeft de vangsten van schieraal aan banden gelegd. De laatste jaren is er een opmerkelijke stijging van de vangsten van de wolhandkrab, een exoot met grote marktwaarde.

Het aantal beroepsvissers is teruggelopen. Er zijn maatregelen genomen om de vangstcapaciteit te beperken, maar op dit moment is de (potentiële) vangstcapaciteit hoger dan de visbestanden in het gebied aankunnen. Er zijn in totaal ruim 70 beroepsvissers met vergunning, waarvan er ca. 45 actief zijn en maar 5 - 10 bedrijven echt voor hun inkomen volledig afhankelijk zijn van de visserij. De sportvisserij is teruggelopen tot ca. 20.000 vistrips per jaar. Bij een betere of andere visstand is er een grote groeipotentie voor de sportvisserij. 
 

Hoe werkt het?

Op het IJsselmeer hebben sport- en beroepsvissers van de eigenaar van het water (de Staat) privaatrechtelijke toestemming nodig om te mogen vissen. De sportvissers mogen 2 snoekbaarzen en 5 baarzen onttrekken per vistrip, de overige gevangen vis moeten ze terugzetten. De beroepsvissers hebben het recht om zowel aal als schubvis te onttrekken.

Voor de beroepsvisserij geldt een vergunningplicht op grond van de Visserijwet: alleen vergunninghouders mogen vissen met de aantallen vistuigen die zijn genoemd in hun vergunning. Deze vergunning wordt jaarlijks verleend door het ministerie van Economische Zaken. 

Beroepsvissers hebben voor de visserij met het tuigtype ‘staand want’ eveneens een vergunning nodig op grond van de Natuurbeschermingswet. De provincies Friesland en Flevoland zijn daarvoor het bevoegd gezag en verlenen deze vergunning jaarlijks. Daarbij wordt getoetst of visserij al dan niet een significant effect heeft op de instandhoudingstoelen van het N2000 gebied.

De visserij op spiering wordt evenwel al enkele jaren niet meer toegestaan; noch onder de Visserijwet, noch onder de Natuurbeschermingswet.

In 2014 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken een bestuurlijk akkoord bereikt over de transitie van de schubvisvisserij met de beroeps- en sportvissers, provincies Friesland, Flevoland en Noord-Holland, Rijkswaterstaat, Stichting Het Blauwe Hart en Vogelbescherming Nederland. Afgesproken is onder meer dat de schubvisvisserij moet verduurzamen en dat gestreefd wordt naar herstel van de schubvisbestanden. De sturing hierop vindt plaats via een Bestuurlijk Overleg tussen genoemde partijen onder voorzitterschap van de staatssecretaris van Economische Zaken. Met ingang van 1 juli 2014 is de visserijcapaciteit van de beroepsvissers via hun schubvisvergunningen sterk beperkt: het aantal staande netten dat vissers mogen gebruiken is gereduceerd met 85%, het aantal zegendagen is teruggebracht tot 7 dagen per zegenvergunning, er is een verbod ingesteld op zegenvisserij in havens en er wordt geen vrijstelling meer gegeven voor het vissen met grote fuik met ruif in de winter. 

 

Opgave

De belangrijkste opgave op het gebied van visserij is het vormgeven van de transitie van de beroepsvisserijsector naar een duurzame visserij, waarbij de vangstcapaciteit in evenwicht is met het oogstbare schubvisbestand. Concreet gaat het daarbij om:

  • Zorgen voor een beheersysteem waardoor de uitgeoefende visserij past bij het aanwezige schubvisbestand. Daarvoor gelden twee opgaven: het verder vergaren van kennis over de ontwikkelingen van de schubvisbestanden en het implementeren van een adequaat sturingssysteem;
  • Aanjagen van een transitie van de visserijbedrijven, waarin diverse factoren aandacht behoeven:
    • Een transitie naar maatschappelijk verantwoord ondernemen waarin o.m. transparant is wat bedrijven doen (wat wordt op welke manier gevangen);
    • Een verkenning van andere verdienmodellen om zoveel mogelijk meerwaarde te creëren met de vis die wordt gevangen danwel op andere manier dan door visonttrekking meerwaarde te creëren (andere diensten);
  • Verkennen van meekoppelkansen met andere ontwikkelingen in het gebied, zodat slim wordt geschakeld en bijvoorbeeld bij werken die de visserijruimte beperken direct wordt meegeregeld dat de visserijdruk op de resterende visserijruimte niet toeneemt.

De Stichting Transitie IJsselmeer heeft aangegeven te willen werken aan voorstellen voor het realiseren van een economisch rendabele beroepsvisserij met een vangstcapaciteit die past bij de draagkracht van het natuurlijk systeem in het IJsselmeer. Vanuit een onafhankelijke positie wil zij bijdragen aan een oplossing voor de problematiek. In dat verband is de Stichting diverse trajecten gestart, waaronder een proces om te komen tot een gezamenlijk beeld van de relatie tussen veranderingen in het ecosysteem en de visserij. Ook werkt de Stichting met een groep visserijbedrijven aan een houtskoolschets waarmee de eigen verantwoordelijkheid van de sector bij de transitie wordt vormgegeven. 

 

Gemaakte keuzes

De sturing van de visserij vindt plaats op basis van de Visserijwet. Voor het overleg hierover is een proces ingericht: het Bestuurlijk Overleg IJsselmeer dat 3x per jaar bijeenkomt. 
 

Samenhang

  • Ruimtelijke ingrepen, zelfs als deze beogen de visstand of ecologie te verbeteren, hebben een directe impact op de visserijdruk in het resterende deel van het visgebied (hetzelfde aantal vissers op een kleiner stuk water). Het is belangrijk daar expliciet rekening mee te houden bij de besluitvorming daarover zodat er geen onbedoelde neveneffecten optreden.
  • Er liggen meekoppelkansen met recreatie en visserij. Sowieso is er een groot potentieel voor groei van sportvisserij als het gebied interessanter zou worden. Daarnaast kunnen beroepsvissers mogelijk diensten verrichten voor de recreatie.
  • De beroepsvisserij op het IJsselmeer heeft cultuurhistorische  waarde en vergroot de levendigheid in de kustplaatsen. 

Projecten

  • Aanleg Marker Wadden
  • Aanleg Vismigratierivier
  • Versterking Friese kust 
  • Glooiende oevers langs de dijken (diverse projecten)
  • Onderzoek naar vistuigen die een gerichte visserij op wolhandkrab mogelijk maken zonder onaanvaardbare bijvangst van schubvis.

 

Literatuur

  • Brief staatssecretaris van Economische Zaken van 11 april 2016 aan de Tweede Kamer met stand van zaken IJsselmeer.
  • Een RIJK IJsselmeer: bouwstenen om daar te komen, inspiratiedocument vastgesteld in het Bestuurlijk Overleg van 23 maart 2015.

 

05-2016

5 Duurzame energie

Betekenis van het gebied

Het IJsselmeergebied heeft voor duurzame energie zowel een ruimtelijke als een innovatieve betekenis.

Het IJsselmeergebied omvat ca. 1/6 van het oppervlak van Nederland (water en land). Naast de 2000 km2 wateroppervlak (IJsselmeer, Markermeer en de Veluwerandmeren) gaat het om een groot landoppervlak van de provincie Flevoland (1400 km2) en delen van de aan de wateren grenzende provincies Friesland, Noord-Holland, Utrecht en Overijssel (waarbij de precieze afbakening van wat wel en niet tot het IJsselmeergebied behoort arbitrair is). Hiermee biedt het IJsselmeergebied een groot potentieel voor windmolens en zonnepanelen. 

Naast elektriciteitsproductie met zon en wind biedt het gebied belangrijke mogelijkheden voor de productie en opslag van warmte. Het gaat om warmte uit de bodem (geothermie, warmtekoudeopslag), de zon en restwarmte uit energie- en afvalcentrales. Daarnaast biedt de combinatie van water en energie verschillende innovatieve mogelijkheden (stromingsenergie, zoet-zout, algen). Met haar grote wateroppervlakten, polders en gemalen, energievragende steden als Amsterdam en Almere, havens, industrie en glastuinbouw, liggen hier innovatieve kansen voor het IJsselmeergebied.
 

Hoe werkt het?

Nederland heeft relatief veel energie-intensieve industrie en industrie die olie en gas als grondstof gebruiken. Daarnaast is Nederland een transport- en distributieland. De transportsector (auto’s, schepen, vliegverkeer) gebruiken vooral olie als brandstof. Met 18% van het totale eindverbruik is de transportsector een belangrijke verbruiker van energie in Nederland. 

Ook is Nederland een ‘gasland’: aardgas is de voornaamste bron voor de verwarming van huizen, gebouwen, tuinbouwkassen en water uit de kraan. Aardgas wordt voorts veel gebruikt voor de productie van elektriciteit en voor warmte in de industrie. Met name voor de zogenaamde lage-temperatuurwarmte wordt voorzien dat aardgas steeds meer vervangen zal worden door meer duurzame alternatieven (warmtepompen, restwarmte, groen gas). De vanzelfsprekendheid van gasnetaansluitingen zal daarmee verdwijnen.

Elektriciteit is essentieel voor het functioneren van de samenleving, maar omvat momenteel met 24% een relatief klein deel van het energieverbruik. Er wordt de komende decennia wel een aanzienlijke groei van de vraag naar elektriciteit voorzien door de toename van elektrisch vervoer en warmtepompen. De vraag naar elektrisch vermogen verschilt van seconde tot seconde. Zodra er een vraag naar elektriciteit ontstaat doordat een klant een apparaat inschakelt, wordt er via het net energie geleverd. Wanneer vraag en aanbod niet gelijk zijn ontstaan er problemen. Sinds er vrije handel van elektrische stroom bestaat, zorgt het handelssysteem voor de afstemming van vraag en aanbod.

Het Nederlandse elektriciteitsnet bestaan uit een landelijk net, beheerd door TenneT, dat de regionale netten en de meeste elektriciteitscentrales met elkaar verbindt. Via stations zijn alle hoogspanningslijnen en -kabels met elkaar verbonden. Het transportnet vertakt zich in 27 distributienetten, de regionale netten. Het hoogspanningsnet van TenneT is opgebouwd uit twee ringen. Een kleinere ring (220 kV en 380 kV) in Noordoost-Nederland en een grotere ring (380 kV) die min of meer de rest van Nederland bedient. Het grote voordeel van de ringstructuur is dat bij een storing TenneT bijna heel Nederland van stroom kan blijven voorzien. Dit gebeurt door de elektriciteit de andere kant op te sturen. De distributienetten van de regionale netbeheerders transporteren elektriciteit naar de eindverbruikers. Woningen en kantoren zijn aan deze netten aangesloten. Grootverbruikers kunnen ook op zwaardere netten zijn aangesloten. Windturbines op land en grote zonneparken worden meestal aangesloten op het net van de regionale netbeheerder.

Het IJsselmeergebied heeft potentie om energie uit water en bodem te leveren. Op de korte termijn kunnen slim malen en warmte-koude opslag (WKO) toegepast worden doordat ze snel toepasbaar zijn of kunnen worden gemaakt. De potentie op de lange termijn is van de orde grootte van het elektriciteitsverbruik bijna 2 miljoen huishoudens. De grootste bijdragen kunnen geleverd worden door: 

  • Geothermie met regionaal warmtenet (7-27% van warmteverbruik in de glastuinbouw en bebouwde omgeving IJsselmeergebied in 2013); 
  • WKO (3-5% van warmteverbruik bebouwde omgeving IJsselmeergebied in 2013); 
  • Blue energy (1-3% van elektriciteitsverbruik IJsselmeergebied in 2013). 

De bijdragen van slim malen en algenkweek zijn innovatieve ideeën die uitdagen om anders na te denken over respectievelijk waterbeheer in de IJsselmeerpolders en multifunctioneel ruimtegebruik van oppervlaktewater en achteroevers.

 

Opgave

Op dit moment is Nederland voor haar energievoorziening voor bijna 95% afhankelijk van fossiele brandstoffen. Voor 2020 heeft Nederland een bindende doelstelling om 14% hernieuwbare energie op te wekken. Dit zal voor een groot deel uit (hernieuwbare) elektriciteit bestaan. Voor 2030 en 2050 zijn Europese doelen vastgesteld: 27% hernieuwbare energie (en 40% CO2-emissiereductie t.o.v. 1990) in 2030 en 80-95% CO2-emissiereductie in 2050. Hiermee is de energietransitie een van de grootste maatschappelijke opgaven voor de komende decennia, met grote ruimtelijke en sociaal-economische effecten en innovatieve uitdagingen.

Een CO2-arme energievoorziening heeft meer ruimte nodig dan de huidige energievoorziening. De precieze ruimtelijke impact van de energietransitie richting 2050 is maar ten dele bekend. Omdat ruimte schaars is, is een inpassingsstrategie van groot belang voor faciliteiten voor de opwekking, transport en opslag van energie. Deze faciliteiten dienen tijdig hun plek krijgen in visies en plannen. Inpassingstrategie, visie en ruimtelijke plannen zijn niet alleen op rijksniveau, maar juist ook op provinciaal en gemeentelijk niveau van belang. De energietransitie kan alleen slagen als vroegtijdig 

overleg wordt gezocht met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Besluitvorming hoort transparant en zorgvuldig te verlopen. 

Innovaties zijn van essentieel belang om de transitie te realiseren. Op veel terreinen gaat het om kleinere vernieuwingen of doorontwikkeling van technologieën of methodes. Op een aantal terreinen zijn radicalere innovaties nodig of zelfs totale veranderingen van systemen. Slimme koppeling van functies met oog voor landschapsherstel en natuurontwikkeling kan de levensvatbaarheid van bedrijven en voorzieningen vergroten.
 

Indicatieve ruimtelijke verkenning wind en zon:

  • Het IJsselmeer heeft een oppervlakte van 1.100 km2. Markermeer heeft 700 km2, en het landoppervlak van de provincie Flevoland is 1.400 km2. En dan heb je nog randmeren en provincies.
  • Ruimtebeslag windmolens: ca. 6-8 MW per km2.
  • Ruimtebeslag zon pv: een 3 MW windmolen komt qua energieproductie overeen met ca. 6 ha. Zon pv.
  • Stel IJsselmeergebied zorgt voor 1/6 deel energieverbruik in 2050: 1/6 van 1.800 PJ = 300 PJ
  • Voor 300 PJ heb je zo’n 10.000 molens van 3 MW nodig (ruimtebeslag = ca. 4.000 km2).
  • Voor zon pv heb je bij 300 PJ zo’n 600 km2 (60.000 hectare) nodig aan zonnepanelen.
  • Bij windmolens kun nog wel met boten (tot 24 meter lengte) door het water varen. Ook zou je er zonnepanelen onder kunnen leggen.

 

Gemaakte keuzes

Het Energierapport uit 2016 geeft een integrale visie op de toekomstige energievoorziening. In de periode april-juli 2016 vindt een nationale energiedialoog plaats over de energietransitie. Die zal uitmonden in een beleidsagenda met concrete voorstellen die eind 2016 aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden.

Voor het beleid tot 2020-2023 zijn de afspraken uit het Energieakkoord van 2013 leidend. Met name de afspraken over wind op land hebben impact op het IJsselmeergebied. Rijk en provincies hebben afgesproken dat in 2020 6000 MW (54 PJ) operationeel windvermogen zal zijn gerealiseerd. Daarnaast stelt het akkoord dat doorgroei van windenergie op land slechts mogelijk is via de weg van innovatie: meer windenergie per km2. 

In de Structuurvisie Wind op Land zijn gebieden aangewezen die geschikt zijn voor grote windmolenparken op land (meer dan 100MW). De Structuurvisie Windenergie op land is een uitwerking van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. In deze uitwerking presenteert het kabinet een ruimtelijk plan voor de doorgroei van windenergie op het grondgebied van Nederland (land en grote wateren, uitgezonderd de Noordzee) en wie verantwoordelijk is voor het aanwijzen van de ruimte voor deze windturbines.
 

Samenhang

Gezien de maat en schaal van de huidige generatie windturbines kan een grootschalig windturbinepark een ‘verkleinend effect’ op andere landschapselementen hebben, zoals lanen, dorpen en (zelfs) rivieren. Ook is de interne orde van windparken (opstellingen van de molens) en de onderlinge afstand tussen windparken van belang voor de beleving van een energielandschap.

Het verdient de voorkeur om bij de plaatsing van windmolens aan te sluiten op grotere structuren in het landschap, zoals de grens tussen land en water, de hoofdverkavelingsrichting of de hoofdinfrastructuur. Soms kan een grootschalig windturbinepark zelf een structuur aanbrengen in een gebied en op die manier een betekenis toevoegen aan het landschap, bijvoorbeeld in een groot water dat geen inwendige landschapsstructuur heeft. Voor haven- en industriegebieden kan een meer pragmatische plaatsing worden aangehouden.

Bij de winning van warmte en koude als energiebron is het van belang dat er nabijheid is met het gebruik er van (woningen, industrie, glastuinbouw).

 

Projecten

In het IJsselmeergebied zijn/zullen vanuit de afspraken in het Energieakkoord verschillende grote windprojecten worden gerealiseerd, zoals:

  • Windpark Wieringermeer;
  • Windpark Noord-Oost Polder;
  • Windpark Fryslân;
  • Houtribdijk.

 

Literatuur

  • Energierapport  ‘Transitie naar duurzaam’. Ministerie van Economische Zaken. Januari 2016.
  • Energieakkoord voor duurzame groei. SER. September 2013.
  • Structuurvisie Windenergie op Land. Maart 2014.
  • Verkenning van duurzame energie uit water en bodem in het IJsselmeergebied: Potentie van vijf energiediensten voor korte en lange termijn. Deltares, 2015.

 

05-2016

...

6 Infrastructuur en transport

6 Infrastructuur en transport

Betekenis van het gebied

In het IJsselmeergebied liggen belangrijke vaarroutes naar midden en Noord-Nederland, voor zowel de beroeps- als recreatievaartVanaf Amsterdam loopt een belangrijke vaarroute langs Flevoland richting Friesland en Groningen. Daarnaast zijn bijvoorbeeld de routes van en naar Meppel, Zwolle en Kampen van belang. Vanuit het IJsselmeer kunnen schepen via de sluizen in de Afsluitdijk (Stevinsluis en Lorentzsluis) naar de Waddenzee (en verder richting de Noordzee).

Niet alle routes zijn even belangrijk. Voor de binnenvaart zijn vooral de hoofdvaarweg Amsterdam-Lemmer (Delfzijl) en de hoofdvaarwegen van het IJsselmeer naar Kampen en Meppel belangrijk. Over deze hoofdvaarwegen wordt vanaf Amsterdam jaarlijks ca. 24 mln ton aan goederen naar Noord-Nederland en de kop van Overijssel vervoerd en meer dan 325.000 TEU aan containers (TEU: Twenty Foot Equivalent Unit, een standaardmaat voor containers). Dit zijn aanzienlijke stromen.

 

Hoe werkt het?

De hoofdvaarweg van Amsterdam over het IJsselmeer naar Noord-Nederland (vaarweg Lemmer – Delfzijl) maakt deel uit van het rijkshoofdvaarwegennet. Andere belangrijke hoofdvaarwegen komen op het IJsselmeer uit en takken op deze vaarweg aan: de vaarweg IJsselmeer – Meppel en de IJssel (via het Ketelmeer).

De route via de Randmeren heeft meer de functie van omvaarroute voor de wat kleinere beroepsvaart en is daarnaast van belang voor het containervervoer naar Harderwijk en voor recreatievaart. De routes via Enkhuizen-Afsluitdijk (Den Oever), Lemmer-Afsluitdijk (Kornwerderzand) en midden over het IJsselmeer hebben met name een functie voor de recreatievaart en een beperkt aantal vissersschepen.

 

Opgave

De bestaande routes en vaarwegen zouden voor beroeps- en recreatievaart op de huidige maten en dimensies gehouden moeten worden (o.a. ter voorkoming van omgekeerde ‘modal shift’ naar weg/spoor). De volgende elementen zijn voor de scheepvaart op het IJsselmeer van belang en moeten in beeld blijven:

  • De huidige vaarklassen en de streefbeelden uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en de nota Mobiliteit voor binnenvaart op het IJsselmeer (hierover is vaak discussie met de regio).
  • De routes voor het basis recreatie toervaartnet (BRTN): welke zijn echt belangrijk en moeten onderhouden worden en welke routes zijn ‘service naar de gebruiker’?
  • Belangrijkste binnenhavens/overslagpunten: Flevokust (nog in oprichting), Zwolle, Kampen, Meppel.

 

Gemaakte keuzes

Het beleid, prioriteiten daarbinnen en een beschrijving van de vaarwegklassen zijn te vinden in het Structuurschema Infrastructuur en Ruimte (SVIR), het MIRT-projectenoverzicht en het Beheerplan voor de Rijkswateren. Voor de recreatievaart is de Basisvisie Recreatietoervaart 2015-2020 in voorbereiding. Internationaal staan alle klasse IV vaarwegen en hoger (inclusief een aantal binnenhavens) op het Nederlandse deel van het TEN-T kernnetwerk: het Trans-Europese verkeersnetwerk.

 

Samenhang

  • Nationaal (SVIR)belang is het op diepte brengen en houden van de hoofdvaarwegen Amsterdam – Noord-Nederland en naar Kampen en Meppel t.b.v. klasse V schepen en bijbehorende brughoogtes en het beperken van de wachttijden bij sluizen (maximaal 30 minuten structurele wachttijd).
  • Monitoren en onderhouden van de vaardiepte van het hoofdvaarwegennet (HVWN) in het IJsselmeergebied. Dit moet bijgehouden worden door RWS en voldoende zijn voor de geldende klasse.
  • Zorgen voor betonnen en beheren van de verschillende vaarroutes door RWS.
  • Beperkte peilwisselingen IJsselmeer geven vooralsnog geen beperking t.a.v. doorvaarthoogte op de IJssel, maar is wel een belangrijk aandachtspunt bij eventuele verdere aanpassingen van waterpeilen.

 

Projecten

Rijksprojecten

  • Verbetering vaargeul IJsselmeer – Meppel (na 2020).
  • Hoofdvaarweg Lemmer – Delfzijl (vervangen en verruimen van meerdere bruggen in periode tot 2023).
  • Vervanging sluis Kornwerderland (Lorentzsluis): het Rijk zorgt voor een waterkering (+ keersluis) die toekomstvast en robuust is. Het Rijk zorgt voor goed onderhoud en vervanging van het complex rond 2050. De regio wil achter de keersluis een grotere schutsluis dan de huidige die nog tot 2050 levensduur heeft. De regio moet haar wensen voor een bredere schutsluis (t.b.v. regionale scheepsbouw) zelf financieren en gaat daarover met het Rijk in overleg.
  • Flevokust: de overslaghaven Flevokust vormt de start van de ontwikkeling van Lelystad tot agrarische hub: een centrale plek voor transport en overslag van agrarische producten uit Flevoland, met de wereldmarkt als afzetgebied. Het project draagt verder bij aan de Beter Benutten-ambitie om vrachtvervoer van de weg naar het water te verplaatsen. Start uitvoering naar verwachting 2016, eind 2017 moet de overslaghaven gereed zijn voor gebruik. Het project Flevokust is een samenwerking tussen de provincie Flevoland en gemeente Lelystad. De provincie ontwikkelt de buitendijkse overslaghaven en de gemeente Lelystad realiseert een binnendijks ‘nat’ industrieterrein.

Regioprojecten

  • Ambitie bij de regio (met name provincie Fryslan) voor een grotere sluis bij Kornwerderzand dan gepland is in het rijksproject om de sluis te vervangen. De grotere sluis is met name van belang voor de jachtenbouwsector.
  • Urk: de gemeente wil de haven uitbreiden en geschikt(er) maken voor containeroverslag. Vanuit het ministerie van IenM is gewaarschuwd voor het risico van overcapaciteit en ligt de focus op het project Flevokust, waarvoor vanuit het programma Beter Benutten € 9 mln beschikbaar is gesteld.

 

Literatuur

  • Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Ministerie van IenM, 2012.
  • MIRT overzicht 2016 (internet).
  • Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren 2016 – 2021. Rijkswaterstaat, 2015.
  • Basisvisie Recreatietoervaart 2015-2020 (nog niet openbaar)

 

 

05-2016

Routes en vaarwegen in het IJsselmeergebied Routes en vaarwegen in het IJsselmeergebied
Impressie van Flevokust Impressie van Flevokust

7 Zandwinning

Betekenis van het gebied

Het IJsselmeergebied is al decennia lang een belangrijke leverancier van zand voor de Nederlandse bouwmarkt. Jaarlijks wordt in dit gebied ca. 3 tot 4 miljoen m3 zand gewonnen. Het zand in de ondergrond is eigendom van het Rijk en over het zand dat niet voor rijksdoelen wordt gebruikt moet daarom een domeinvergoeding aan het Rijk worden betaald. Het gewonnen zand wordt voornamelijk ingezet als ophoogzand.

 

Hoe werkt het?

Het winnen van zand is vergunningplichtig op grond van de Ontgrondingenwet. Rijkswaterstaat treedt hierbij op als bevoegd gezag. De zandwinners zijn vrij in het kiezen van een zandwinlocatie, zolang wordt voldaan aan bestaande wet- en regelgeving. Vanuit de Beleidsregel Ontgrondingen in Rijkswateren dient de locatie waar zand wordt gewonnen een tweede maatschappelijke functie te vervullen: het zogeheten ‘multifunctionaliteitsprincipe’. Dit betekent dat zandwinningen in het IJsselmeergebied voornamelijk plaatsvinden op locaties waar een toekomstige vaargeul gerealiseerd gaat worden. Als voorbeeld kan worden genoemd de door het Rijk gewenste vaargeul Amsterdam - Lemmer. Het betreft hier niet het vaargeulonderhoud, maar het realiseren van het gewenste (ruimere) vaargeulprofiel. Deze aanpak is voor het Rijk financieel voordelig, maar betekent wel een afhankelijkheid van de hoeveelheid zandwinning in de tijd. De zandwinner kan namelijk een ontgrondingenvergunning aanvragen, maar deze vergunning verplicht niet tot zandwinning. Het is een recht tot zandwinning.

Buiten vaargeulen is zandwinning ook mogelijk. De meerwaarde kan dan bv. worden gezocht in het afvoeren van de dekgrond naar natuurprojecten. In bijzondere gevallen kan zandwinning zonder directe meerwaarde worden toegestaan, wanneer zwaarwegende belangen kunnen worden ingebracht en onderbouwd.

 

Opgave

De zandwinning dient allereerst plaats te vinden in nog aan te leggen vaargeulen (elke m3 zandwinning buiten deze vaargeulen is uitgestelde vaardiepte). Van belang is daarom dat er een helder beeld is van de daadwerkelijk gewenste vaargeulen, met bijbehorende vastgestelde dimensies (breedte en diepte). Daarnaast is het van belang beleidsmatig voldoende ruimte te maken voor maatregelen die met gebruik van dekgrond de formele Rijksdoelen ondersteunen.

 

Gemaakte keuzes

Het beleid voor de vergunningverlening zandwinning in het IJsselmeergebied is vastgelegd in de Beleidsregels Ontgrondingen in Rijkswateren. Dit is een nadere invulling van de Ontgrondingenwet (Ow) en het Besluit ontgrondingen in rijkswateren (Bor).

 

Samenhang

  • Zoals gezegd kan de bij de zandwinning vrijkomende dekgrond worden ingezet voor bv. natuurprojecten. Er is in het Markermeer zodoende een relatie met de realisatie van het Toekomstbestendig Ecologisch Systeem (TBES), waarvoor dekgrond wordt ingezet.
  • Voor de zandwinning is het ook van groot belang te weten welke vaarroutes een status ‘vaargeul met vastgestelde dimensies’ hebben gekregen. Hierin zijn het Beheer- en ontwikkelplan voor de Rijkswateren en de legger belangrijke uitgangspunten.
  • De tijdige vaststelling van ruimtelijke planreserveringen buiten de vaargeulen is van groot belang bij het bepalen waar zandwinning wel of niet gewenst is. Denk bv. aan windmolenparken. Een grote kuil in de waterbodem is lokaal gezien niet altijd handig en een gatenkaas als gevolg van willekeur moet in principe wordenvoorkomen.
  • Nagenoeg alle vaargeulen zijn inmiddels door middel van zandwinning gerealiseerd dan wel vergund. Voor de lange termijn zou dit op basis van de bestaande beleidsregel betekenen dat er geen ruimte meer is voor verdere zandwinningen. Landelijk blijft de zandbehoefte bestaan, ook voor de langere termijn en de invulling van Rijksdoelen. Het creëren van beleidsruimte lijkt daarom wenselijk.

 

Literatuur

  • Beleidsregels ontgrondingen in Rijkswateren.
  • Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren 2016 – 2021. Rijkswaterstaat, 2015.

 

Winning bouwgrondstoffen, bron: Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren 2016-2021 Winning bouwgrondstoffen, bron: Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren 2016-2021

05-2016

8 Drinkwatervoorziening

Betekenis van het gebied

Het IJsselmeergebied is van groot belang voor de huidige en toekomstige drinkwatervoorziening. Momenteel is ongeveer 10% van de Nederlandse bevolking voor drinkwater rechtstreeks en 10% indirect afhankelijk van het oppervlakte- en grondwater in het IJsselmeergebied. Zo levert het drinkwaterbedrijf PWN drinkwater aan ruim 1,1 miljoen inwoners in de provincie Noord-Holland waarvoor het IJsselmeer de bron is (zie kaartje 1). Daarnaast voorzien de drinkwaterbedrijven PWN en Vitens een groot aantal bedrijven vanuit dit gebied van drinkwater.

Oppervlaktewater

Sedert 1967 produceert PWN bij Andijk drinkwater uit het IJsselmeer (momenteel 25 mln m3/j) en vanaf 1980 neemt Watertransportmaatschappij Rijn Kennemerland (WRK) hier water in (thans circa 50 miljoen m³/j ) dat na voorzuivering deels wordt geïnfiltreerd in de duinen bij Heemskerk ten behoeve van de drinkwatervoorziening en deels direct wordt geleverd aan grote bedrijven als TATA Steel (Hoogovens). Bij Andijk zijn twee kleine afsluitbare bekkens aanwezig. Omdat de voorraad daarin voor minder dan een week toereikend is, moet in feite het gehele IJsselmeer als spaarbekken voor de inname worden gezien. De inlaat vanuit het IJsselmeer in Friesland, Groningen en Noord-Drenthe speelt een rol bij het veiligstellen van de grondwaterwinningen in deze gebieden.

Grondwater

In Flevoland liggen vier grondwaterwinningen (totaal vergunde wincapaciteit 38 mln m3/j). Op het ‘oude land’ ligt langs de rand van het IJsselmeergebied een aantal rondwaterwinningen. Al deze winningen maken vooral gebruik van afstromend grondwater naar de Flevopolders, het IJsselmeer en de Randmeren. Dit vermindert de hoeveelheid kwelwater in Flevoland. Het gewonnen grondwater door de Flevolandse winning Bremerberg is voor ca 30% afkomstig uit water dat inzijgt vanuit het Veluwemeer.

Vitale infrastructuur

Naast het innamepunt Andijk en de grondwaterwinningen zijn in Flevoland drinkwatertransportleidingen en -installaties (reservoirs/opjagers) aanwezig die samen gerekend worden tot de top vitale infrastructuur.

Reservefunctie

Het IJsselmeergebied is een belangrijke zoetwaterreserve voor de (toekomstige) drinkwatervoorziening met name voor Noord-Holland en Utrecht. IJsselmeer en IJssel zijn gereserveerd voor de drinkwatervoorziening en worden hiertoe reeds ingezet (Andijk, Engelse Werk Zwolle, reservering Koppelerwaard). Het Markermeer is eveneens hiertoe gereserveerd met het oog op de ontwikkeling van de noordflank van de Randstad en de effecten van klimaatverandering op de huidige winningen. Bij Nieuwersluis beschikt Waternet over een noodinlaat uit het Amsterdam-Rijnkanaal. Hier speelt de verzilting van dit kanaal mede in relatie tot de nieuwe Zeesluis in IJmuiden. Het diepe grondwater in zuidelijk Flevoland is gereserveerd als strategische grondwaterreserve voor drinkwater. Deze reserve moet primair de groei in de drinkwatervraag voor de regio Almere opvangen. Daarnaast dient de reservering voor de dekking van de groeiende vraag in en het vervangen van niet-duurzame winningen in Utrecht/Gelderland. Een deel van deze reservering wordt hiertoe reeds benut.

 

Kaart 1: Overzicht innamepunten oppervlaktewater, winlocaties grondwater en reserveringen voor drinkwater in het IJsselmeergebied Kaart 1: Overzicht innamepunten oppervlaktewater, winlocaties grondwater en reserveringen voor drinkwater in het IJsselmeergebied

Hoe werkt het?

Het IJsselmeergebied voorziet in de eigen behoefte, maar exporteert en importeert ook drinkwater (zie kaartje 2). De drinkwatervoorziening in Noord-Holland was oorspronkelijk voor het grootste deel afhankelijk van duinwater gewonnen bij Bergen, Heemskerk en Leiduin. De winning van dit duinwater was met de stijgende watervraag niet duurzaam. In 1957 is de WRK, opgericht door de provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam, gestart met de levering van voorgezuiverd water uit de Lek (innamepunt Nieuwegein). Door infiltratie van dit water uit de Lek kon de leveringscapaciteit van de duinen in stand gehouden of zelfs vergroot worden. Ter vermindering van de kwetsbaarheid neemt de WRK vanaf 1980 ook IJsselmeerwater bij Andijk in en transporteert dit via 2 grote transportleidingen naar de duinen bij Heemskerk. Hiermee vormen de Rijn en het IJsselmeer twee belangrijke ankers voor de drinkwatervoorziening van Noord-Holland. Verder wint het waterbedrijf Waternet kwelwater uit de Bethunepolder bij Maarssen.

De grondwaterwinningen in Flevoland worden ingezet ter dekking van de drinkwaterbehoefte van deze provincie en voor export naar de provincies Gelderland en Utrecht. Om het verdrogende effect van een aantal grondwaterwinningen op de natuur van Veluwe en de Utrechts Heuvelrug te reduceren, exporteert Flevoland sedert 2002 zogenaamd ROL-water (Ruwwaterlevering Oude Land). De grondwaterwinningen Spiekzand en Fledite in zuidelijk Flevoland leveren drinkwater en voorgezuiverd ruwwater aan de Gelderse winning Holk (momenteel 9 mln m3/j) waarvan het grootste deel wordt doorgeleverd aan noordoost Utrecht. Vanaf de drooglegging van de Noordoostpolder (NOP) in 1942 voorzien Overijsselse winningen deze polder van drinkwater. Na het opgaan in 1986 van de NOP in de provincie Flevoland is dit niet veranderd, vanwege de bestaande infrastructuur en het ontbreken van zoet grondwater. Momenteel importeert de NOP 3 mln m3/j, met name afkomstig van de winning St. Jansklooster.

De inlaat van IJsselmeerwater in Friesland blijkt van grote invloed op het waterbeheer in het noordelijk deel van Nederland (tegengaan verzilting en verdroging). Voor de grondwaterwinningen in Friesland, Groningen en Noord-Drenthe draagt deze inlaat bij aan het voorkomen van (verdere) verzilting en het compenseren van de effecten op het grondwatersysteem.

 

Opgave

De hoofdopgave is het borgen van een betrouwbare drinkwatervoorziening tegen de laagst mogelijke maatschappelijke kosten, ook voor de volgende generaties. Hierbij gaat het vooral om het anticiperen op demografische, economische en klimaatontwikkelingen. Dit vertaalt zich in de volgende concrete opgaven:

  • Tijdige anticipatie en zo nodig sturing op ontwikkeling (ruimtelijk en vestigingsbeleid, waterbesparende bedrijfsprocessen) en differentiatie (krimp/groei-gebieden) in de drinkwatervraag, waarbij ook de mogelijke ontwikkeling richting decentrale drinkwatersystemen moet worden betrokken.
  • Garanderen van de leveringszekerheid, drinkwaterkwaliteit en laagst mogelijke maatschappelijke kosten vanuit het handelingsperspectief bij klimaatverandering (waterbeschikbaarheid) en realisatie van de KRW-drinkwaterdoelen (eenvoudige zuivering).
  • Bestaande en gereserveerde drinkwatergebruiksfuncties als integraal onderdeel van de multifunctionele inrichting en het oppervlakte- en grondwaterbeheer binnen het IJsselmeergebied meenemen.
  • Handhaven van reserveringen en borgen van adequate bescherming van bestaande reservevoorraden oppervlaktewater (IJsselmeer, Markermeer, Amsterdam-Rijnkanaal en IJssel) en grondwater (Zuidelijk Flevoland) t.b.v. de drinkwatervoorziening.
  • Weerbaar maken van de drinkwaterinfrastructuur tegen overstromingen.

Bij extreme crisissituaties en/of wanneer de nationale veiligheid in het geding is, ligt de opgave voor de drinkwatervoorziening primair bij het Rijk, zoals aangegeven in de Beleidsnota Drinkwater.

 

Kaart 2: Levering drinkwater met aantal afhankelijke inwoners in en vanuit het IJsselmeergebied Kaart 2: Levering drinkwater met aantal afhankelijke inwoners in en vanuit het IJsselmeergebied

Gemaakte keuzes

Het beleid voor de drinkwatervoorziening is vastgelegd in de Beleidsnota Drinkwater, als onderdeel van het Nationaal Waterplan 2016-2021. Doorwerking en uitwerking van dit beleid heeft plaatsgevonden in het Beheer- en ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2016-2021, het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta 2016-2021, provinciale omgevingsvisies, de waterbeheerplannen van de waterschappen en gemeentelijke plannen.

  • Gebruiksfunctie drinkwater. Volgens de Drinkwaterwet en de Beleidsnota Drinkwater is drinkwater een eerste levensbehoefte en essentieel voor de volksgezondheid en economie. De drinkwatervoorziening wordt gezien als een nationaal belang met de kwalificatie ‘vitale publieke dienst van groot algemeen belang’, die in afwegingen als ‘dwingende reden van groot openbaar belang’ moet worden meegenomen. De drinkwaterfunctie is volgens de doelen van de Deltabeslissing Zoetwater een te beschermen cruciale en bijzondere functie. De drinkwaterinfrastructuur behoort tot de top vitale infrastructuur die weerbaar moet zijn tegen overstromingen.
  • Veiligstellen bestaande winningen en reserveringen. De bestaande innamepunten, grondwaterwinningen en reserveringen voor de huidige en toekomstige drinkwatervoorziening in het IJsselmeergebied, zijn opgenomen in de plannen van het Rijk en betrokken provincies, waterschappen en gemeenten. Deze plannen richten zich op het kwantitatief, kwalitatief en ruimtelijk veiligstellen hiervan, door het verzekeren van de waterbeschikbaarheid, het bereiken van een ‘goede toestand’ bij een eenvoudige zuivering en een goede ruimtelijke inpassing.
  • Zoet oppervlaktewater in IJsselmeergebied. In het rijksbeleid, uitgewerkt in het Beheer- en ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2016-2021, is de keuze gemaakt voor het zoet houden van het oppervlaktewater in het volledige IJsselmeergebied. De beleidsmatige norm voor de maximale zoutconcentratie in het ingenomen oppervlaktewater bij de innamepunten voor drinkwater bedraagt 150 mg/l.
  • Verdringingsreeks en hoogwaardig gebruik grondwater. Bij waterverdelingskeuzes voor oppervlaktewater in droge perioden geldt de verdringingsreeks waarbij de drinkwatervoorziening een categorie 2-prioriteit heeft ter borging van de leveringszekerheid. Bij beperkte beschikbaarheid en toenemend grondwatergebruik staat volgens de beleidsplannen van de betrokken provincies het bedienen van de gebruiksfunctie drinkwater als hoogwaardig gebruik voorop.
  • Voorkeur voor gebruik schoonst beschikbare bron bij nieuwe winningen. Beleidsuitgangspunt in de Beleidsnota Drinkwater is dat de schoonste beschikbare bron wordt gebruikt voor de drinkwaterproductie. Dit gebeurt uit het oogpunt van verwaarloosbaar risico voor de volksgezondheid, consumentenvertrouwen, duurzame benutting en het voorzorgprincipe. Er geldt vanuit dit uitgangspunt een algemene voorkeur voor het gebruik van grondwater. Daar waar dat niet in voldoende mate of kwaliteit beschikbaar is, wordt ingezet op het gebruik van oevergrondwater of oppervlaktewater.

 

Samenhang

De weergegeven keuzes voor drinkwater in paragraaf 4 hebben de volgende relaties met andere thema’s:

  • Waterveiligheid, watervoorziening en waterkwaliteit: de waterveiligheidsmaatregelen hebben invloed op de overstromingsrisico’s en -impact voor de drinkwaterinfrastructuur. Een grotere waterbeschikbaarheid door flexibel peilbeheer in het IJsselmeer vergroot de mogelijkheden tot inlaat in Friesland en daarmee de veiligstelling van de noordelijke grondwaterwinningen. Kwaliteitsverslechtering en verzilting in langduriger droge perioden en/of een meer diffuse zout/zoet grens bij de Afsluitdijk kunnen echter een bedreiging vormen voor het spaarbekken IJsselmeer (c.q. de inlaat Andijk) en de drinkwaterfuncties van het Markermeer en het Veluwemeer. Drinkwater is ook via de waterketen verbonden met de waterkwaliteit. De effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringen zijn meer bepalend voor de waterkwaliteit in drogere perioden.
  • Drinkwater, natuur en recreatie: deze zijn in de duinen onlosmakelijk met elkaar verbonden. Voor het IJsselmeer en het Markermeer kan gedacht aan een ‘natte’ variant van deze symbiose tussen drinkwater, natuur en recreatie. Voor grondwaterwinningen liggen hier eveneens kansen (zie winning Holk), maar kan ook sprake zijn van niet te verenigen eisen aan grondwaterstand en/of kwel. Combinatie drinkwater en natuur levert veelal goede condities op voor recreatie en toerisme.
  • Conventionele en duurzame energiewinning: de grote oppervlaktewateren in het IJsselmeergebied zijn zeer kwetsbaar voor verontreinigingen als gevolg van de winning, opslag en transport van aardgas/- olie en schaliegas/-olie. Dergelijke verontreinigingen vormen een direct gevaar voor de drinkwatervoorziening. De combinatie van decentrale duurzame energieopwekking (wind, zon) met de drinkwaterfunctie biedt echter perspectieven.
  • Infrastructuur en transport: transport van milieugevaarlijke stoffen over water kan een bedreiging vormen voor het spaarbekken IJsselmeergebied en de drinkwaterfuncties van het Markermeer en het Veluwemeer. De bouw van de nieuwe zeesluis IJmuiden vormt in potentie een verziltingsrisico voor de noodinname Nieuwersluis in het Amsterdam-Rijnkanaal en de drinkwaterfunctie van het Markermeer.
  • Metropoolregio Amsterdam: kan zowel een bedreiging als een kans betekenen voor de drinkwaterfuncties van het Amsterdam-Rijnkanaal en het Markermeer. De opkomst van decentrale drinkwatersystemen kan het gebruik van het Markermeer voor de drinkwatervoorziening noodzakelijk maken.

 

Projecten

De belangrijkste projecten voor de drinkwatervoorziening zijn:

  • Veiligstellen van bestaande winningen. Opstellen en uitvoeren van maatregelen op basis van actuele gebiedsdossiers voor de bestaande innamepunten en grondwaterwinningen in het IJsselmeergebied. Combineren van drinkwaterfuncties met bijpassende functies.
  • Veiligstellen toekomstige drinkwatervoorziening. Reserveren en adequaat beschermen van voldoende inzetbare reservevoorraden grond- en oppervlaktewater. Verminderen kwetsbaarheid oppervlaktewinningen door het handhaven van meerdere ankers met mogelijk nog een uitbreiding daarvan.
  • Verhogen weerbaarheid overstromingen drinkwaterinfrastructuur. Ontwikkelen strategie vanuit de meerlaags veiligheidsbenadering op basis van de landelijke pilot in de IJssel-Vechtdelta. Uitwerken en implementeren strategie voor de drinkwaterinfrastructuur in het IJsselmeergebied.
  • Optimaal benutten afstromend grondwater van de Veluwe. Uitvoeren van een verkenning naar de mogelijkheden om de bestaande grondwaterwinningen beter te benutten bij het waterbeheer van de Flevopolder. Uitwerken en realiseren van kansrijke mogelijkheden.
  • Tegengaan verzilting en kwaliteitsverslechtering Amsterdam-Rijnkanaal enMarkermeer. Volgen van en anticiperen op effecten van ontwikkeling metropoolregio Amsterdam en de nieuwe zeesluis IJmuiden.
  • Symbiose drinkwater en natuur/recreatie IJsselmeer. Vanuit het project blauwe hart invulling geven aan deze symbiose naar analogie van de duinen.
  • Kwaliteitsontwikkeling inname Andijk. Onderzoek relatie uitslag effluent rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) met de kwaliteit van het ingenomen water bij Andijk.
  • Opvang capaciteitstekort Utrecht. Onderzoek naar optimale inzet van Utrechtse grondwaterwinningen in combinatie met export via Holk vanuit Flevoland om te kunnen (blijven) voorzien in de groeiende drinkwatervraag binnen de provincie Utrecht.

 

Literatuur

  • Beleidsnota Drinkwater (Schoon drinkwater voor nu en later). Ministerie van I&M, 2014.
  • Impact klimaat op oppervlaktewater als bron voor drinkwater. RIVM, 2014.
  • Deltabeslissing Zoetwater (Water voor economie en leefbaarheid ook in de toekomst). Ministerie van I&M, 2014.
  • Nationaal Waterplan 2016-2021. Ministerie van I&M en EZ, 2015.
  • Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta 2016-2021. Ministerie van I&M, 2015.
  • Beheer- en ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2016-2021. Rijkswaterstaat, 2015.

 

05-2016

9 Landschap

Betekenis van het gebied

Het gebied van het huidige IJsselmeer is duizenden jaren in verandering, nl. van land naar water en weer land. Is er na de laatste ijstijd nog sprake van een min of meer aaneengesloten, bewoonbaar gebied (ca. 10.000 v.Chr.) waar nog restanten van zijn, daarna wordt het gebied natter door zeespiegelstijging en ontstaan veenmoerassen, die vervolgens uitgroeien tot grote veenmeren die, vooral in de tweede helft van de 12de eeuw, de omvang van de Zuiderzee krijgen. In de 20e eeuw wordt de Zuiderzee door de Afsluitdijk afgescheiden van de Noordzee en deels ingepolderd: het meer wordt deels weer land. Het landschap van het IJsselmeergebied wordt daarom zowel vanaf het land als vanaf het water beschreven.

Een belangrijke waarde van het gebied zijn de verschillen in de cultuurlandschappen, het ‘oude’ land en het ‘nieuwe’ land, en de vrijwel overal aanwezige sporen van waterstaatkundige ingrepen:

  • Zo is een kunstmatige kustlijn in de vorm van door de mens aangelegde dijken langzaam (bochtig) gegroeid, dan wel in één keer (strak) aangelegd. Voor vrijwel het gehele gebied kenmerkend (alleen Gaasterland, de omgeving van Vollenhove en bij Huizen vormen natuurlijke hoogtes en een licht glooiend landschap de kustlijn). Sluizen en gemalen markeren de overgang van land naar water. De waterstaatkundige functie in het gebied is voorts dominant aanwezig in de vorm van de Afsluitdijk en de Houtribdijk;
  • Van het ‘oude’ land zijn verschillende onderdelen vanwege hun gave karakter en goed herkenbare ontstaansgeschiedenis als waardevol erkend. Arkemheen-Eemland, samen met Zuidwest-Friesland, IJsseldelta, Veluwerand, Nieuwe Hollandse Waterlinie/Stelling van Amsterdam vormen Nationale Landschappen;
  • Een bijzondere categorie van ’oud’ land vormen enkele (voormalige) eilanden, zoals Wieringen, Marken, Urk en Schokland.

In het oude land van Noord-Holland zijn de 17e-eeuwse inpolderingen en droogmakerijen de Purmer, Schermer en Beemster en de middeleeuwse veengebieden met elk hun eigen typische verkavelingspatronen en historische havenstadjes (Hoorn, Enkhuizen) en kronkelige dijken en wegen kenmerkend. De Wieringermeer is ‘nieuw’ land (1930), grootschaliger en rechtlijnig ingedeeld, omgeven door kaarsrechte dijken. In de nieuwe polders van de Noordoostpolder en beide Flevopolders valt vooral de rationele, grootschalige landbouwkundige verkaveling en de rechte dijken op (‘ingenieurskunst’); het zijn ontworpen landschappen. In Friesland zijn zowel veenweidegebieden en meren als zandgebieden en kleine droogmakerijen te vinden. De Randmeren hebben het oude land van Overijssel, Gelderland en Utrecht een ander karakter gegeven, terwijl aan de overzijde van de Randmeren de kustlijn van het nieuwe land te zien is. De kustlijn bestaat op verschillende plekken uit bewoonde punten langs het IJsselmeer: intensief bij Amsterdam, Almere en Lelystad, wat kleinschaliger bij voormalige historische havenstadjes (Hoorn, Enkhuizen, Harderwijk) en nog rustiger bij de dorpen aan de kust.

Een andere belangrijke waarde van het gebied is de beleving van de weidsheid: het grote wateroppervlak van het IJsselmeer wordt als ‘leeg’ en ‘oneindig’ ervaren. Vanaf het water is de strakke lijn van de dijk, afgewisseld met markante silhouetten van historische havensteden, de meest in het oog springende kwaliteit en van grote betekenis voor water- en verblijfsrecreatie en toerisme. Ondanks de grootschaligheid van het wateroppervlakte, zijn er toch verschillen in de maatvoering van de wateroppervlakten te herkennen: het IJ verwijdt zich tot de het IJmeer, Markermeer, IJsselmeer en verder noordwaarts in de Waddenzee en Noordzee.

 

Hoe werkt het?

Het landschap is de optelsom en samenhang van de ondergrond en abiotiek, de biotiek (flora en fauna) en de netwerken en functies. De functies en de ligging ervan zijn gerelateerd aan de (historische) ‘logica’, zoals de voor zeilschepen goed bereikbare Zuiderzeehavens. Typerend voor het gebied is de forse en plotselinge verschuiving van functies en landschappelijke kenmerken door de afsluiting van de Zuiderzee en de daarop volgende inpolderingen. Hieronder worden de functies, voor de kustzone, ruimtelijk geduid, voor een inhoudelijke verdieping.

De Friese kust bestaat uit buitendijks gelegen waarden en eilanden met een natuurlijke (moerassen en ruigten) of agrarische (hooiland) functie. Binnendijks – in het door slingerende dijken beschermde open agrarisch gebied - liggen de historische stadjes als Makkum, Workum, Stavoren en Hindeloopen. Het gebied en de historische stadjes met hun historische havens bieden veel gelegenheid voor recreatie en toerisme. Bij Gaasterland ligt het restant van een stuwwal, hierdoor ontstaat een glooiend landschap met bos en akkers, terwijl het overige kustgebied vrijwel uitsluitend weilanden omvat. Er zijn diverse recreatievoorzieningen zoals havens en recreatieparken. Voor het waterbeheer en recreatievaart zijn bij Lemmer, Stavoren, Workum en Makkum gemalen en (schut)sluizen aanwezig naar het achterliggende toeristische vaargebied. Inlaat van het IJsselmeerwater vindt plaats bij Lemmer en Stavoren. Achter de dijken van de Flevolandpolders liggen strak verkavelde landbouwgronden en enkele bossen. De inrichting van de Noordoostpolder is tot in details (denk bijv. aan erfbeplanting) het product van de tekentafel. In Urk is vanuit het (historische) belang van de visserij de grootste visafslag van Nederland aanwezig. Inlaat en afvoer van water uit de polders vindt op meerdere punten plaats, waar het (spectaculaire) peilverschil tussen polder- en IJsselmeerniveau van verscheidene meters zichtbaar wordt. Oostelijk en Zuidelijk Flevoland zijn anders van karakter; functies als recreatie, wonen en ‘natuur’ kregen hier veel meer ruimte, de schaal van de landbouwkavel werd bij elke nieuwe polder groter. In het Ketelmeer is relatief weinig recreatie aanwezig, wel zijn er natuurlijke eilanden en vooroevers en het slibdepot Keteloog. Het (zuid-)westelijk deel van de Flevopolder is meer verstedelijkt door de aanwezigheid van Almere, Lelystad en de luchthaven en snelwegen. De Oostvaardersplassen, gelegen tussen Almere en Lelystad, is een van de grote natuurgebieden van Nederland. Recreatie, in de vorm van jachthavens en recreatiegebieden, is te vinden bij Lelystad en Almere, maar ook veel aan de kant van het oude land, de Randmeren.

Het gebied achter de dijken van het oude land is gevarieerd: geleidelijke overgangen van bosrijke gebieden naar open graslanden. Er zijn veel recreatievoorzieningen met havens en recreatieparken, ook gekoppeld aan de van oorsprong middeleeuwse haven- en vestingsteden als Harderwijk, Kampen, Bunschoten-Spakenburg, Naarden en Muiden met hun historische bebouwing. Het Noord-Hollandse deel van het IJsselmeergebied omvat de kustlijn vanaf Huizen tot en met de Wieringermeerpolder, resp. de randen van het Gooimeer en het IJmeer. Dit gebied wordt plaatselijk intensief bewoond en gebruikt voor (water)recreatie en scheepvaart en infrastructuur (snelwegen) en heeft daarnaast natuurgebieden (Naardermeer, delen van het Gooi) en landbouwgebieden. Ten noorden van Amsterdam ligt een veenweidegebied, doorsneden met waterlopen en een hoog waterpeil in de sloten. Kenmerkend zijn de veel aanwezige houten huizen in de historische kernen. De hele kustlijn is recreatief en toeristisch van groot belang, met concentraties bij de historische Zuiderzeestadjes en havens als Monnickendam, Volendam, Hoorn, Enkhuizen, Wervershoof, Medemblik en het eiland Marken. Meer noordelijk (Westfriesland) is ook akkerbouw (denk aan de Opperdoes aardappel) en bloembollenteelt aanwezig (Corso van Hoogkarspel). In het achterland liggen de beroemde historische en landbouwkundig ingerichte droogmakerijen als de Schermer en de Beemster (Werelderfgoed). De Wieringermeer maakt deel uit van het ‘nieuwe’ land, is rationeel verkaveld en vrijwel volledig voor landbouwkundig gebruik ingericht, de recreatieve waarde is hier minder dan op het oude land.

 

Opgave

De opgaven voor het IJsselmeergebied zijn:

  • Deltaprogramma: inspelen op een flexibel en 10 cm hoger waterpeil van het IJsselmeergebied. Een aantal buitendijkse recreatieve functies komt regelmatiger onder water te staan (strandjes, campings) of er is meer overlast in de recreatiehavens.
  • De druk op de buitendijkse natuur in Friesland, en op langere termijn ook in de IJssel-Vechtdelta en op enkele plaatsen langs de Noord-Hollandse en Utrechtse kust, neemt toe. Er vindt meer erosie plaats door verkorting van land-waterovergangen en planten komen vaker onder water te staan. In de laaggelegen gebieden zal meer grond- en kwelwater overlast voorkomen. Lokaal overlast voor buitendijkse functies.
  • HWBP: dijkversterkingen. Is het mogelijk de ruimtelijke kwaliteit te behouden en zo mogelijk te versterken?
  • Vormgeven van de opgave voor de opwekking van duurzame energie.
  • Autonome plannen en visies, samenhangende ruimtelijke opgaven.

 

Gemaakte keuzes

Besluitvorming van verschillende overheden heeft impact op het landschap. Hieronder volgt een overzicht van beleidsdocumenten en besluiten die genomen zijn:

  • Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
  • De nieuwe Omgevingswet
  • Rijksstructuurvisie voor het Rijk Regioprogramma Amsterdam-Almere-Markermeer (RRAAM)
  • Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2016-2021 (concept sept. 2014)
  • Deltaprogramma met deelprogramma’s, Deltaprogramma IJsselmeergebied
  • Kustversterkingsprojecten i.h.k.v. van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP 1 en 2) Dijkversterking Houtribdijk (gereed 2019)
  • Project Afsluitdijk (gereed 2021)
  • Toekomstagenda Markermeer en IJmeer (TMIJ) (onderdeel RAAM, Rijksbesluiten Amsterdam-Almere-Markermeer, nov. 2009)
  • Structuurvisie Windenergie op Land (WOL)
  • Provinciaal beleid:
    • Omgevingsvisie Gelderland (2015)
    • Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) en de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) Utrecht
    • Structuurvisie Noord-Holland 2040
    • Omgevingsplan Flevoland 2006
    • Streekplan voor Fryslân 2006
    • Omgevingsvisie Overijssel 2009
    • Lokale initiatieven en plannen

 

Samenhang

Landschap is de optelsom van ruimtelijke ontwikkeling; er is een relatie met alle ruimtelijke functies:

  • waterveiligheid (Deltaprogramma, HWBP)
  • recreatie
  • verstedelijking, wonen-werken en infrastructuur
  • energie
  • visserij
  • cultuurhistorie en archeologie (erfgoed)

 

Projecten

Zie het figuur waarop de samenhangende ruimtelijke opgaven zijn weergegeven.

 

Literatuur

  • Atlas van het IJsselmeergebied, Deltaprogramma IJsselmeergebied, 2010
  • Kwaliteitskader IJsselmeergebied, in opdracht van College van Rijksadviseurs; Strootman landschapsarchitecten bv, 2013 (maakt gebruik van veel andere studies)
  • Ruimtelijke Kwaliteit IJsselmeergebied; onderzoek naar kernkwaliteiten en identiteiten van het IJsselmeergebied ten behoeve van het project Beleidskader IJsselmeergebied, Bosch en Slabbers, 2008
  • Atlas van Nederland in het Holoceen, landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu. Vos, P.C. cs, 2011
  • ‘Samenhang landschap in beeld’, Briefadvies ‘Landschapsbeleid Provincies’ van Rijksadviseur Landschap en Water prof. Eric Luiten aan prof. Van Dijk, voorzitter van de Bestuurlijke advies commissie Vitaal Platteland van het Interprovinciaal Overleg (IPO).
  • Handreiking Ruimtelijke Kwaliteit IJsselmeergebied (H+N+S landschapsarchitecten)

 

05-2016

Kenmerken van de kusten, bron: Handreiking Ruimtelijke Kwaliteit IJsselmeergebied Kenmerken van de kusten, bron: Handreiking Ruimtelijke Kwaliteit IJsselmeergebied
Samenhangende ruimtelijke opgaven, bron: Kwaliteitskader IJsselmeergebied Samenhangende ruimtelijke opgaven, bron: Kwaliteitskader IJsselmeergebied

10 Cultuurhistorie

Betekenis van het gebied

De cultuurhistorie van het IJsselmeergebied omvat het cultuurhistorisch landschap van het oude land, de nieuwe polders en het ‘onderwaterlandschap’ van het Markermeer en IJsselmeer, de waterstaatsgeschiedenis, de archeologie, dorps- en stadsgezichten en monumenten.

Het gebied van het huidige IJsselmeer is duizenden jaren in verandering, van land naar water en weer land. Is er na de laatste ijstijd nog sprake van een min of meer aaneengesloten, bewoonbaar gebied (ca. 10.000 v.Chr.), nu is dit oorspronkelijke Eemstroomgebied een overspoeld, nog grotendeels intact landschap, waarvan de (bodem)restanten waardevol zijn. Ca. 500 v Chr. wordt het gebied natter door zeespiegelstijging en ontstaan veenmoerassen die vervolgens uitgroeien tot grote veenmeren die, vooral in de tweede helft van de 12e eeuw, de omvang van de Zuiderzee krijgen. In de 20e eeuw wordt de Zuiderzee door de Afsluitdijk afgescheiden van de Waddenzee en deels ingepolderd: het meer wordt deels weer land.

De dynamiek van het IJsselmeergebied en de relatie met de ontstaansgeschiedenis (zie fig. 1) is af te lezen aan de verschillende landschapstypen.

Grote delen van Friesland en Noord-Holland zijn waterrijke veengronden en, vanwege de afwatering, met een dicht net van sloten in lange stroken verkaveld. De verkaveling in polders op de kreekruggen en de zeeklei afzettingen van beide provincies zijn – zeker in verhouding tot de nieuwe polders – onregelmatig ontgonnen in blokvorm. In Friesland en Noord-Holland zijn door het afgraven van het veen en afslag van de randen door wind en water meren ontstaan. Ook de waterrijke veengronden van de (voormalige) kust van Overijssel, de IJssel- en Eemdelta en het gebied ten noorden van Amsterdam, Broek op Waterland zijn kleinschalig ontgonnen. De strokenverkaveling met bijbehorende ontginningsassen zijn vaak nog goed herkenbaar in het huidige landschap. De hogere zandgronden, ontstaan in de laatste ijstijd, zijn (restanten) van stuwwallen. De ontginning van deze armere gronden heeft een grillige verkaveling opgeleverd. Minder vruchtbare gronden waren als heide en bos in gebruik. Dit historische grondgebruik is plaatselijk nog herkenbaar gebleven (Veluwe, Utrechtse Heuvelrug). De droogmakerijen uit de 17e eeuw (Beemster, Schermer en Purmer)  en 20ste-eeuwse polders als de Wieringermeer, de Noordoostpolder en de Flevopolders, met als doel landaanwinning voor extra landbouwgronden, zijn planmatig aangelegd en daardoor rechtlijnig en grootschalig verkaveld; hoe recenter, hoe grootschaliger.

De ontginning en latere ontwikkeling levert een verscheidenheid op aan landschapstypen dat hoog gewaardeerd wordt. Ze hebben op verschillende momenten daardoor een beschermde status gekregen. Afhankelijk van het toenmalige beleid zijn ze aangewezen als Nationaal Park, Nationaal Landschap of als Belvedère-gebied. Een dergelijke status geldt onder meer voor:

  • Nationaal landschap Laag-Holland (Waterland/Zeevang), Zuidwest-Friesland, IJsseldelta, Veluwerand, Arkemheen-Eemland, Nieuwe Hollandse Waterlinie/Stelling van Amsterdam;
  • Belvedère gebied Waterland-Oost, Stelling van Amsterdam/Nieuwe Hollandse Waterlinie, De Hemmen (Friesland), Friese terpengebied, Noordoostpolder (met Urk), Wieden-Weerribben, Staphorst, Kampereiland-Mastenroek, Swifterband, Nijkerk-Arkemheen;
  • Werelderfgoed (Noordoostpolder, Schokland, Beemster en ook het Woudagemaal in Lemmer).

De waterstaatsgeschiedenis hangt nauw samen met de bewoningsgeschiedenis en het landgebruik en heeft cultuurhistorisch betekenis. Dit geldt voor de gehele IJsselmeerdijk, met de dijktrajecten Amsterdam-Monnickendam, Edam-Hoorn, Hoorn-Medemblik, de dijk van Friesland met het Woudagemaal en de dijk Kuinre-Blokzijl; deze zijn cultuurhistorisch relevant voor het verhaal van de Zuiderzee tot IJsselmeer met de IJsselmeerwerken als de proefpolder Andijk, eerste inpoldering van de Wieringermeer, de Afsluitdijk, de aanleg van de Noordoostpolder, Oostelijk Flevoland, Zuidelijk Flevoland, en de aanleg van de Houtribdijk – die uiteindelijk een dam werd, omdat definitief is besloten de Markerwaard niet in te polderen.

Voor de archeologie is het van belang te weten (zie fig. 1) dat het hele IJsselmeergebied afwisselend land en is water geweest. Dit betekent nl. dat er in de bodem van het huidige IJsselmeer en de nieuwe polders nog veel sporen te vinden zijn. Denk bijvoorbeeld aan:

  • Sporen van bewoning: 10.000 jaar geleden was het gebied helemaal land. In de diepere ondergrond zijn diverse plekken met kampementen van jagers en verzamelaars te vinden. Oude rivierlopen, zoals de Eem en de Vecht, liepen door in het huidige Marker- en IJsselmeer. Bewoning vond plaats aan de randen van de oude rivierlopen daar zijn nog oude jachtkampementen te vinden. Bewoningssporen zijn onder andere gevonden ten zuiden van Almere (door aanleg A27), ten noordoosten van Lelystad, Urk en het Swifterbandgebied. Ook op de locatie van de nieuw aan te leggen Marker Wadden, waar veel zand zal worden gewonnen, is onderzoek naar wrakken en prehistorische bewoning. Recentere voorbeelden van menselijke activiteiten en bewoning zijn te vinden bij de oostrand van Flevoland, de zuidwestpunt van Friesland en de zuidwestelijke kust van Noord-Holland. Daar liggen veel verdronken dorpen waarvan nog restanten te vinden zijn. Deze dorpen zijn in de Middeleeuwen verdronken bij hevige stormen.
  • Scheepswrakken: de Zuiderzee was enorm belangrijk voor de visserij en handel. De IJssel en de verbinding met de Zuiderzee was belangrijk voor de handel in de Hanzeperiode. Er is een aantal kogges gevonden uit de 13e en 14e eeuw. Met de aanleg van de polders is er veel onderzoek naar wrakken geweest; onderzoek voor het waterdeel gaat nog plaats vinden. Er zijn enkele beschermde scheepswrakken, zoals bij Medemblik en bij Lelystad (wrak uit 1469). In de Gouden eeuw voeren de ongeladen schepen door de ondiepe Zuiderzee heen om op de rede van Texel bevoorraad te worden, voordat zij in konvooi naar de oost of west voeren. Uit de vorige eeuw zijn ook nog scheepswrakken te vinden; bij Bunschoten is een plek bekend waar, na de afsluiting van de Zuiderzee, veel vissersschepen en botters, zijn afgezonken. Het blijkt lastiger dan gedacht om te voorspellen waar mogelijke wrakken te vinden zijn. Dit komt omdat schepen die in zware stormen terecht kwamen van de gebruikelijke routes werden geblazen, in de ondiepere delen terecht kwamen en daar vergingen.

  • Vliegtuigwrakken: in het IJsselmeer en Markermeer en de nieuwe polders liggen honderden vliegtuigwrakken uit de WOII. Dit komt omdat de vliegtuigen op de route Engeland- Duitsland zo veel mogelijk over onbewoond gebied vlogen om aan afweergeschut te ontkomen en bij neerstorten zo min mogelijk schade zouden aanrichten.

Op het oude land is de diversiteit van archeologische restanten groot; er heeft hele vroege bewoning plaats gevonden tot aan heden. Rijksmonumenten of provinciale en gemeentelijke archeologische kaarten geven daar inzicht in.

In het IJsselmeergebied is een veelvoud aan soorten gebouwde monumenten te vinden, met als voornaamste de historische haven- en visserssteden met veelal markante silhouetten, die als bakens vanaf zee fungeerden (zoals de kerktoren Enkhuizen). Voorts zijn er monumenten die herinneren aan de waterstaatkundige functie (dijken, sluizen, gemalen) en aan de agrarische functie (historische boerderijen; droogmakerijen):

  • Rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten zijn: Amsterdam, Durgerdam, Ransdorp, Holysloot, Zuiderwoude, Marken, Monnickendam, Edam, Hoorn, Enkhuizen, Medemblik, Twisk, Kornwerderzand (Afsluitdijk), Cornwerd, Makkum, Piaam, Workum, Hindelopen, Blokzijl, Vollenhove, Elburg, Harderwijk, Bunschoten, Naarden, Muiden, Urk.
  • Provinciale monumenten: dijken langs het IJsselmeer in Noord-Holland, West-Friese Omringdijk.
  • Wereld erfgoed: Schokland (NOP), Woudagemaal (Lemmer), Stelling van Amsterdam (Pampus, forten langs de dijken tussen Edam-Naarden), Nieuwe Hollandse Waterlinie, binnenstad Amsterdam.
  • Specifieke, regionale monumentale waarde als houtbouw in Waterland.

 

Hoe werkt het?

De cultuurhistorie is een perspectief als onderligger voor (integrale) ontwikkelingen. De verschillende thema’s en bijbehorende verhalen, beelden en karakteristieken bieden goede kansen om het erfgoed te verbinden met nieuwe, integrale ruimtelijke ontwikkelingen. Kennis, verhalen en ontwikkelingen kunnen worden samengebracht – bij voorkeur bij aanvang van een project - zodat eventuele vergunningen tijdig en met advies kunnen worden aangevraagd (bij planologische of wettelijke bescherming).

 

Opgave (zie ook hoofdstuk Landschap)

Net als bij het landschap is de cultuurhistorie een integrale (onder) laag waar toekomstige ontwikkelingen in plaats vinden. Belangrijk is het om de verscheidenheid en de leesbaarheid van het landschap te behouden. Indien er ontwikkelingen plaatsvinden die de cultuurhistorische waarden beïnvloeden, moeten de historische waarden goed worden vastgelegd. De cultuurhistorie is een belangrijk uitgangspunt voor verdere planvorming – ook als er botsende opgaven zijn – en kan leiden tot een gemeenschappelijke visie.

De opgaven voor het IJsselmeergebied zijn:

  • Deltaprogramma: inspelen op een flexibel en 10 cm hoger waterpeil van het IJsselmeergebied. Een aantal buitendijkse recreatieve functies komt regelmatiger onder water te staan (strandjes, campings) of er is meer overlast in de recreatiehavens. De druk op de buitendijkse natuur in Friesland, en op langere termijn ook in de IJssel-Vechtdelta en op enkele plaatsen langs de Noord-Hollandse en Utrechtse kust, neemt toe. Er vindt meer erosie plaats door verkorting van land-waterovergangen en platen komen vaker onder water te staan. In de laaggelegen gebieden zal meer grond- en kwelwater overlast voorkomen. Lokaal overlast voor buitendijkse functies.
  • HWBP: dijkversterkingen. Is het mogelijk de ruimtelijke kwaliteit te behouden en zo mogelijk te versterken?
  • Vormgeven van de opgave voor de opwekking van duurzame energie.
  • Autonome plannen en visies, samenhangende ruimtelijke opgaven.

 

Gemaakte keuzes

De gemaakte keuzes liggen vast in onderstaande documenten. De lijst is niet uitputtend.

  • Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
  • De nieuwe Omgevingswet
  • Rijksstructuurvisie voor het Rijk Regioprogramma Amsterdam- Almere-Markermeer (RRAAM)
  • Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2016-2021 (concept sept. 2014)
  • Deltaprogramma met deelprogramma’s, Deltaprogramma IJsselmeergebied
  • Kustversterkingsprojecten i.h.k.v. het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP 1 en 2)
  • Dijkversterking Houtribdijk (gereed 2019)
  • Project Afsluitdijk (gereed 2021)
  • Toekomstagenda Markermeer en IJmeer (TMIJ) (onderdeel van RAAM, Rijksbesluiten Amsterdam-Almere-Markermeer, nov. 2009)
  • Structuurvisie Windenergie op Land (WOL)
  • Provinciaal beleid:
    • Omgevingsvisie Gelderland (2015)
    • Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) en de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) Utrecht
    • Structuurvisie Noord-Holland 2040
    • Omgevingsplan Flevoland 2006
    • Streekplan voor Fryslân 2006
    • Omgevingsvisie Overijssel 2009
    • Lokale initiatieven en plannen

 

Samenhang

Cultuurhistorie en archeologie zijn integrerende onderwerpen en hangen samen met:

  • Waterveiligheid (Deltaprogramma, dijkversterkingen);
  • Recreatie;
  • Verstedelijking, wonen-werken en infrastructuur;
  • Energie;
  • Visserij;
  • Natuurontwikkeling: MarkerWadden;
  • Zandwinning.

 

Projecten

  • Lelystad: aanleg container terminal en vaarweg
  • Zandwinning project Markerzand

 

Literatuur

  • Atlas van het IJsselmeergebied, Deltaprogramma IJsselmeergebied, 2010
  • Kwaliteitskader IJsselmeergebied, in opdracht van College van Rijksadviseurs; Strootman landschapsarchitecten bv, 2013 (maakt gebruik van veel andere studies)
  • Ruimtelijke Kwaliteit IJsselmeergebied; onderzoek naar kernkwaliteiten en identiteiten van het IJsselmeergebied ten behoeve van het project Beleidskader IJsselmeergebied, Bosch en Slabbers, 2008
  • Atlas van Nederland in het Holoceen, landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu. Vos, P.C. cs, 2011
  • Parallelspoor bodemwaarden Markermeer IJmeer, in opdracht van Bosch Slabbers Tuin- en Landschapsarchitecten door M. Benjamins (red.), S. van den Brenk, E. van Ginkel, M.C. Houkes, W. Waldus en F.S. Zuidhoff. Met bijdragen van: E. van Ginkel (TGV Teksten en presentatie) en A. Viersen
  • MER Markerwadden
  • Plan – project MER Afsluitdijk
  • Notitie Reikwijdte en Detailniveau Versterking Houtribdijk
  • Veerkracht waar mogelijk: Ontwerpend onderzoek voor Klimaatbestendig Nederland, in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving; Vista landschapsarchitectuur en stedenbouw 2012

 

05-2016

Fig. 1: Ontstaansgeschiedenis IJsselmeergebied, bron: Atlas van Nederland in het Fig. 1: Ontstaansgeschiedenis IJsselmeergebied, bron: Atlas van Nederland in het
Fig. 2: Landschapstypen, bron: Veerkracht waar mogelijk Fig. 2: Landschapstypen, bron: Veerkracht waar mogelijk
Fig. 3: Scheepswrakken, bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Fig. 3: Scheepswrakken, bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
Fig. 4: Archeologische monumenten, bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Fig. 4: Archeologische monumenten, bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
...

11 Recreatie en toerisme

11 Recreatie en toerisme

Betekenis van het gebied

Het IJsselmeergebied is van groot belang voor recreatie en toerisme. Niet alleen voor de watersport, als een van de grootste getijdevrije zoetwater meren van West Europa, maar ook voor andere vormen van recreatie zoals sportvisserij, strand- en oeverrecreatie en verblijfsrecreatie. Uit diverse onderzoeken blijkt dat recreanten plassen- en merengebieden tot de top 3 rekenen van meest aantrekkelijke gebieden om aan te recreëren. Het is ook een gebied dat een bijzondere belevingswaarde biedt met hoge kwaliteiten, met verre horizonten, vergezichten over water, natuurbeleving, gevarieerde oevers, kusten en dijken en met veel cultuurhistorische steden langs de oevers. Aan de zuidkant, het IJmeer, sluit het gebied aan aan de Metropool Amsterdam en is het water eigenlijk een soort waterpark van de Randstad. Het IJsselmeergebied draagt bij aan de aantrekkelijkheid van de woon- en leefomgeving en het vestigingsklimaat in de Metropool Amsterdam. Voor veel mensen is het IJsselmeer gebied dus een gebied om op of langs van te genieten. Er wordt dan ook veel gewandeld en gefietst langs de oever.

Recreatie en toerisme is een belangrijke economische factor. In 2000 was de sector goed voor de helft van de economische waarde in het IJsselmeergebied en bijna de helft van de werkgelegenheid.

Rond het IJsselmeer zijn vele recreatief toeristische voorzieningen: jachthavens, campings/bungalowparken/hotels/pensions, wandelpaden/routes, fietspaden/routes, strandjes om te zonnen/zwemmen etc. Zo zijn er ongeveer 130 jachthavens met een kleine 20.000 ligplaatsen. Er varen ca. 450 traditionele schepen met groepen (chartervaart). Er zijn ca. 25 verblijfsrecreatie-bedrijven, met zo’n 9000 standplaatsen rond het IJsselmeergebied en vele grote en kleine attracties. Rond het IJsselmeer lopen een bewegwijzerde lange-afstand wandelpad en een lange-afstand fietsroute. Bijna een half miljoen sportvissers vist wel eens in het IJsselmeer vanaf de oever of vanaf een bootje.

Het gebied, inclusief de oevers is van grote cultuurhistorische waarde. De geschiedenis van het water, met de strijd tegen het water (o.a. de Afsluitdijk), de handel (VOC) en visserij, ambachten en vervoer over water geeft vooral grote toeristische meerwaarde aan het gebied en maakt het voor velen het bezoeken waard.

 

Hoe werkt het?

De recreatieve functie hangt nauw samen met het aanbod van voorzieningen. Vanzelfsprekend moet de basis in orde zijn: landschappelijke/cultuurhistorische kwaliteit, toegankelijkheid. Door het bieden van voorzieningen wordt het gebied benut en kunnen recreanten er gebruik van maken. Te denken is aan wandel- en fietspaden, aanleg van stranden, bieden van overnachting op campings en ligplaatsen in jachthavens en het bieden van gastvrijheid, bezoekpunten en horeca in de steden. Op een deel van deze voorzieningen vinden ook de verdiensten plaats.

Belangrijk is dat het beheer van het gebied (mede) afgestemd is op de recreatieve gebruiksfuncties. Hierbij is te denken aan beheer van de (openbare) voorzieningen als stranden en paden, maar ook aan het bevaarbaar houden van het water door baggeren van de haventoegangen, aanbrengen van betonning en beheren van de waterplantengroei. Verder is promotie en marketing van het gebied van belang. De potentiele bezoeker moet de kwaliteiten van het gebied weten en weten wat er te doen en te beleven is.

 

Opgave

De belangrijkste opgave op het gebied van recreatie en toerisme is het beheren van het IJsselmeergebied als samenhangend recreatief toeristisch gebied. De belangrijkste opgaven voor de beleving spelen langs de oevers. Bij de opgave voor het gebied moeten de oevers en het aangrenzende land ook mee beschouwd worden. Dit betekent:

  • Een samenhangende beheerorganisatie die de kernwaarden van het gebied veilig stelt en ontwikkelt (openheid, ruimtelijke kwaliteit, waterkwaliteit, natuur, toegankelijkheid en gebruiksmogelijkheden);
  • Samenhangende communicatie van de waarden van het gebied, inclusief de ontwikkelingen zoals de MarkerWadden;
  • Behoud van de bevaarbaarheid van het water en de toegangen van de havens;
  • Ontwikkelingsmogelijkheden voor ondernemers;
  • Behoud en versterken van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden (openheid, oevers, dijken, historische steden);
  • Meekoppelen van recreatief medegebruik bij natuur en water huishoudingprojecten en hiermee ontwikkelen van meer vaardoelen en bezoeklocaties;
  • Ontwikkelen van het IJmeer als waterpark van de Noordvleugel voor woon- en vestigingsklimaat MRA en opvang van hittestress uit de stad.

 

Gemaakte keuzes

Het beleid is gericht op het behoud en verbeteren van de recreatiemogelijkheden, passend binnen de andere functies van het IJsselmeergebied. Dit is onder andere vastgelegd in de Rijstructuurvisie RRAAM en de stukken van de TMIJ (Toekomstbeeld Markermeer-IJmeer). Ook is binnen het Deltaprogramma meekoppeling een belangrijk item. In de provinciale structuurvisies/omgevingsplannen is recreatie een belangrijk onderwerp en worden de waarden van het gebied onderkend.

 

Samenhang

De budgetten en mogelijkheden voor recreatie en toerisme zijn de laatste jaren beperkt. Het Rijk heeft hier nauwelijks middelen voor en beleid en uitvoering is naar de provincies (en gemeenten) gedecentraliseerd. De kansen voor recreatie en toerisme liggen vooral in het meekoppelen met andere ontwikkelingen, zoals natuur, waterhuishouding, dijkverzwaring e.d. De beleving van het gebied is sterk afhankelijk van andere functies als natuur en landschappelijke kwaliteit, waterhuishouding en waterkwaliteit. De aanpassing van het peil kan van grote invloed zijn op de recreatiemogelijkheden (bevaarbaarheid, diepte, behoud stranden). Ook de ontwikkeling van de waterplanten in delen van de Randmeren en Markermeer hebben grote invloed op de bevaarbaarheid en oeverrecreatie. Aan de andere kant kan recreatief medegebruik bijdragen aan maatschappelijk draagvlak voor projecten ten behoeve van andere functies. De samenhang is dus zeer sterk.

 

Projecten

  • Dijkversterking en medegebruik
  • Deltaprogramma
  • Afsluitdijk en Houtribdijk
  • Luwtemaatregelen
  • MarkerWadden
  • Woningbouwopgave MRA
  • N2000

 

Literatuur

  • Samen meer IJsselmeer Waterrecreatie Advies
  • Ontwikkelingsbeeld Recreatie en Toerisme 2030, IJmeer/Markermeer en IJsselmeer van Arcadis
  • Toekomstbeeld Markermeer IJmeer, TMIJ
  • Inventarisatie Natura 2000
  • Diverse onderzoek Waterrecreatie Advies
  • Economische betekenis en perspectieven van het IJsselmeergebied (Org.id 2013)

 

05-2016

...

Werkbezoek

Werkbezoek

Op 29 juni jl. hebben directeuren van regio en Rijk een werkbezoek gebracht aan het IJsselmeergebied. Dit werkbezoek is georganiseerd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Eén van de doelen van het werkbezoek was het beleven van de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het IJsselmeergebied. Daarom zijn aansprekende locaties in de provincies Flevoland, Noord-Holland en Friesland bezocht. Een ander belangrijk doel van het werkbezoek was elkaar informeren over ieders ambities en wensen voor het IJsselmeergebied en de Gebiedsagenda IJsselmeergebied 2050.

Klik hieronder voor het verslag van dit werkbezoek. 

...

Het verhaal van de Zuiderzee

Land-Water-Land

Het verhaal van de Zuiderzee

Land-Water-Land

Onderstaand verhaal is gepresenteerd door Menne Kosian (onderzoeker Ruimtelijke Analyse bij de rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) tijdens het werkbezoek d.d. 29 juni 2016.

 

De Zuiderzee

Hoezo “zee”? Als wij nu naar het IJsselmeergebied kijken zien we een landschap van uitgestrekte polders en grote watervlakten. Deze grote polders zijn drooggelegd vanaf 1930, te beginnen met de Wieringermeer. In 1932 kwam de Afsluitdijk gereed, waardoor het huidige IJsselmeer ontstond. Van vroeger kennen we het gebied nog als Zuiderzee, de grote zeearm die diep in Nederland stak en bij storm en hoge vloed het Hollandse land bedreigde. Veel verder terug gaan de herinneringen en verhalen vaak niet.

Maar er is meer te vertellen over dit gebied. De grote Zuiderzee is namelijk nog helemaal niet zo oud. Het verhaal gaat terug tot de laatste ijstijd, zo’n 10.000 jaar geleden. De Noordzee bestond toen nog helemaal niet; de kustlijn, van wat nu de Atlantische Oceaan heet, lag tussen Schotland en Noorwegen. Nederland en de Noordzee waren een uitgestrekt toendralandschap. In het huidige IJsselmeergebied leefden groepen jagers/verzamelaars op de oevers van riviertjes, die op groot wild joegen en visten (afb. 1).

Na het smelten van het ijs vulde de huidige Noordzee zich met water. Van Zeeland tot Kampen ontstond een uitgestrekt gebied wat wij nu zouden herkennen als een waddengebied; uitgestrekte zandplaten die bij hoog water onderlopen. Aan de rand van dit waddengebied ontstond veen (afb. 2). Door de vorming van strandwallen kon het veen verder groeien tot aan onze huidige kustlijn. Het veen groeide zo dik dat het land op sommige plaatsen tot meer dan 5 meter boven zeeniveau uitstak. In dit veenlandschap ontstonden grote plassen (afb. 3).

Pas ten tijde van de Romeinen in Nederland, zo’n 1900 jaar geleden brak de zee in het noorden door het veen en vormde een open verbinding met deze grote plassen. Het veen kalfde door deze zee invloed snel af en 1200 jaar geleden was het gebied een echte binnenzee (afb. 4). Deze binnenzee kreeg in de Middeleeuwen de naam Zuiderzee, en bereikte 500 jaar geleden haar grootste omvang (afb. 5). Nieuwe technische ontwikkelingen stelden de mens in staat om land te winnen uit water. Aanvankelijk in de kwelders en grote veenplassen in Holland en Friesland (afb. 6), later ook in de Zuiderzee zelf (afb. 7).

De geschiedenis van het IJsselmeergebied laat zich dan ook omschrijven als van land (met toendra’s en veengebieden) (afb. 8) naar water (met handelsvloten en vissers) (afb. 9) en weer naar land (met uitgestrekte polders en lange dijken) (afb. 10). Maar het merendeel van haar geschiedenis was deze zee geen zee, maar land (afb. 11).

 

Het ZuiderZEElandschap

Toen de Zuiderzee zee was, was zij niet alleen een bedreiging voor het Hollandse land, maar ook een belangrijke handelsroute. Vroege zeevarenden hadden niet de navigatiemiddelen van tegenwoordig en bleven het liefst in zicht van de kust. De kust van de Noordzee was, door de gesloten duinenrij, echter een gevaarlijk gebied: bij slecht weer waren er geen veilige havens om te schuilen. De Zuiderzee bood echter uitkomst. Over deze binnenzee kon men relatief veilig varen. Bovendien was er een aansluiting met de grote Europese rivieren en de kust verbinding met Scandinavië. In de vroege Middeleeuwen werd deze route dan ook al gebruikt door Vikingen en handelaren uit Dorestad om grondstoffen en luxeproducten van zo ver als India tot Noorwegen en Zweden te vervoeren (afb. 12).

In 1260 ontstond een internationale handelscoöperatie in de noord Duitse steden, de Hanze. Deze vereniging had ook vestigingen in Nederland, langs de IJssel. Steden als Kampen, Deventer en Zutphen handelden in hout, graan en wol tussen de Oostzee, Engeland, Vlaanderen en Venetië. Voor deze handel was een speciaal grote scheepstype ontwikkeld, de Kogge (afb. 13).

Ook in de Gouden Eeuw was de Zuiderzee een belangrijke handelsroute. De grote handelssteden als Hoorn, Enkhuizen en Amsterdam lagen immers allemaal aan dit water. De handel op de Oostzee in hout, graan en wol bestond nog steeds, de zogenaamde moedernegotie. Deze handel leverde zoveel geld op dat er nieuwe handelsschepen ontwikkeld konden worden die helemaal naar Indië konden. Dat leidde tot de oprichting van de eerste multinational met aandelen ter wereld: de VOC (afb. 14).

Deze nieuwe schepen waren zo groot dat ze niet volgeladen over de Zuiderzee konden. De vloot werd dan ook op de rede van Texel samengesteld, en bij aankomst gelost in kleinere schepen. De handelswaar werd in de VOC steden in grote pakhuizen opgeslagen (afb. 15).

Maar de handel was niet alleen internationaal. De makkelijkste manier op tussen de verschillende regio’s in Nederland goederen te transporteren was over water. In alle steden langs de Zuiderzee waren dan ook havens voor de binnenvaart. Deze volgden vaak vaste routes met de zogenaamde beurtvaart (afb. 16).

Maar de zee zorgde niet alleen voor (handels)verbindingen: ze was ook een rijke bron van vis. Elke plaats langs de Zuiderzee had een eigen vissersvloot. De Zuiderzee was immers een zeearm, en er kon dus zelfs op soorten als haring worden gevist (afb. 17). Van alle Zuiderzeevissers waren de Urkers de meest ondernemende; zij visten vooral buitengaats, op de Noordzee. Ondanks de Afsluitdijk doen zij dat nog steeds. De Urker visafslag is dan ook de grootste van Nederland, en profileert zich zelfs als hét zeeviscentrum van Europa (afb. 18).

Het merendeel van de Zuiderzeevisserij is echter verdwenen. Na de aanleg van de Afsluitdijk werd het meer en meer zoet water, waardoor de visstand drastisch wijzigde. Veel van de oude vissershavens zijn nu bloeiende toeristenhavens geworden. De oude vissers- en beurtschepen vervoeren nu watersporters; de Bruine Vloot (afb. 19).

 

Het ZuiderzeeLANDschap

Wat is er nu kenmerkend voor het land rondom de Zuiderzee? Allereerst uiteraard de havensteden. De oudst herkenbare zijn de middeleeuwse Hanzesteden. Deze liggen langs de IJssel: Kampen, Zwolle, Deventer, Zutphen om een paar belangrijke te noemen. Daar zie je vaak nog overblijfselen uit deze tijd: rijke huizen en pakhuizen. Na de Middeleeuwen verplaatste het economische centrum zich van de IJssel naar Holland. Nieuwe handelssteden komen op zoals Hoorn, Enkhuizen, Amsterdam en Rotterdam (afb. 20).

Dit leidt in de IJsselsteden vaak tot stagnatie of zelfs krimp. We denken vaak dat stedelijke problematiek als krimp iets van deze tijd is, maar dat is niet waar. Zelfs in de Nederlandse Gouden Eeuw kwam er al krimp voor. En niet alleen in de IJsselsteden. Daar bleef het zelfs vaak “beperkt” tot stagnatie. De stad Enkhuizen was in de eerste tijd van de VOC gegroeid tot vier à vijf keer zijn oude omvang. Nieuwe pakhuizen en koopmanshuizen werden gebouwd, en zelfs een hele nieuwe havenaanleg. Dit duurde echter niet lang. Voor het einde van de 17e eeuw zakte de Enkhuizense economie in. De pakhuizen werden verlaten en gesloopt, de kooplui verlieten de stad en gingen naar Hoorn en Amsterdam. De stad kromp. Op de kaart van 1830 is Enkhuizen gekrompen tot zijn middeleeuwse omvang. Alleen de stadswallen herinneren aan het roemrijke verleden (afb. 21).

Ook de visserij heeft onvermoede sporen op het land achtergelaten. Als je nu langs de voormalige Zuiderzeestadjes gaat valt de grootte van de kerken altijd op. Hoe klein het plaatsje ook is, er is een grote kerk. Vooral de stadjes aan de oostkust van de Zuiderzee. Deze kerken hadden ook een specifiek doel. Bijna alle zuiderzeevissers waren protestant. En als het slecht weer was schuilde de hele vloot in de dichtstbijzijnde haven. Daar werd beter weer afgewacht, maar ook ter kerke gegaan. De plaatsen waar ze vissers schuilden moesten dus ook een kerk hebben om die vissers te ontvangen. Omdat er meestal een zuidwestenwind staat, vind je deze visserskerken dus ook vooral langs de oostkust (afb. 22).

En uiteraard is de strijd tegen het water een terugkerend herkenbaar kenmerk langs de Zuiderzeekust. Verhalen over overstromingen, zoals die in 1916, die heeft geleid tot het veilig afsluiten van de Zuiderzee, vind je langs de hele kust (afb. 23). Verschillende vormen van dijkenbouw en dijkversterkingen zijn langs de hele Zuiderzeekust vaak nog goed te herkennen. Hetzij in de bestaande dijk, hetzij in relicten zoals de dijk op de zuidpunt van het voormalige eiland Schokland (afb. 24).

De nieuwe dijken, de Afsluitdijk en de Houtribdijk getuigen van de moderne technieken om he land te beschermen. Zij vormen de toekomstige monumenten van eigenheid en veiligheid (afb. 25). 

Tegenwoordig wordt er ook veel met water gedaan, in plaats van alleen tegen water. Zo kunnen waddengebieden worden aangelegd als kustbescherming, en dijken van waterkrachtcentrales voor energiewinning worden voorzien (afb. 26). Aan de geschiedenis van de Zuiderzee wordt nog iedere dag geschreven.

Afb. 1: 10.000 jaar geleden Afb. 1: 10.000 jaar geleden
Afb. 2: 5.850 jaar geleden Afb. 2: 5.850 jaar geleden
Afb. 3: 2.000 jaar geleden Afb. 3: 2.000 jaar geleden
Afb. 4: 1.200 jaar geleden Afb. 4: 1.200 jaar geleden
Afb. 5: 500 jaar geleden Afb. 5: 500 jaar geleden
Afb. 6: 150 jaar geleden Afb. 6: 150 jaar geleden
Afb. 7 Afb. 7
Afb. 8 Afb. 8
Afb. 9 Afb. 9
Afb. 10 Afb. 10
Afb. 11 Afb. 11
Afb. 12 Afb. 12
Afb. 13 Afb. 13
Afb. 14 Afb. 14
Afb. 15 Afb. 15
Afb. 16 Afb. 16
Afb. 17 Afb. 17
Afb. 18 Afb. 18
Afb. 19 Afb. 19
Afb. 20 Afb. 20
Afb. 21 Afb. 21
Afb. 22 Afb. 22
Afb. 23 Afb. 23
Afb. 24 Afb. 24
Afb. 25 Afb. 25
Afb. 26 Afb. 26
...

Gebiedsdialoog 1

Gebiedsdialoog 1

Op 19 en 26 mei jl. vond de eerste van in totaal drie geplande gebiedsdialogen plaats in het kader van de Gebiedsagenda IJsselmeergebied 2050. Zo’n 60 personen van overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties gingen met elkaar in gesprek over ruimtelijke opgaven en ontwikkelingen rondom het IJsselmeergebied.  Door middel van ontwerpend onderzoek hebben zij nieuwe kansen voor het gebied in beeld gebracht. De bijeenkomsten vonden plaats bij het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier in Heerhugowaard.

 

Dromen over natuur- en waterkwaliteit, drinkwatervoorziening, visserij en recreatie

In deze eerste dialoogronde zijn de thema’s natuur- en waterkwaliteit, drinkwatervoorziening, visserij en recreatie aan bod gekomen. De eerste dag stond in het teken van ‘dromen’. Wat zijn waarden en kwaliteiten die we absoluut voor de toekomst moeten koesteren? Daarnaast werden verbindingen tussen de thema’s verkend (cross-overs). Waar kunnen thema’s elkaar versterken en is sprake van een win-win situatie? Maar ook; waar bijten zij elkaar en ligt er een dilemma dat opgelost moet worden? En waar ontbreekt nog kennis om goed antwoord te kunnen geven op mogelijkheden om te verbinden? Dit zijn de vragen waarmee de deelnemers door dagvoorzitter Harry Keereweer en ateliermeester Joke Schalk op pad werden gestuurd in deelgroepen. De eerste dag sloot af met een vraaggesprek tussen de aanwezigen in de zaal en twee bestuurders: Kees Stam (lid dagelijks bestuur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier) en Marc Hameleers (regioambassadeur ministerie van Economische Zaken en lid kwartiermakende stuurgroep Gebiedsagenda IJsselmeergebied 2050). Zij reflecteerden ook kort op deze gebiedsdialoog en keken met ons mee vooruit. Marc: “Iedereen zou iets van zijn ideeën terug moeten zien in de Gebiedsagenda. Houd deze energie, die jullie vandaag hebben laten zien, daarom vast!

 

Deelnemers van de eerste gebiedsdialoog op 19 mei jl. Deelnemers van de eerste gebiedsdialoog op 19 mei jl.

Verdieping

Op de tweede dag hebben de deelnemers de resultaten van dag één uitgewerkt en aangescherpt. Een deel van de mensen die aanwezig was op de eerste dag kwam ook op de tweede dag. Daarnaast was er een groot aantal nieuwe mensen, waardoor er ook met een frisse en onbevangen blik naar de resultaten van de eerste dag werd gekeken. Wederom werd uiteengegaan in deelgroepen, waarbij elke groep een eigen opgave meekreeg om uit te werken. Met een krachtenveldanalyse, een zoneringskaart (waar doe je wat?) en een uitwerking voor een specifiek deelgebied werden ideeën en oplossingsrichtingen getest en uitgediept.

 

Deelnemers van de eerste gebiedsdialoog op 26 mei jl. Deelnemers van de eerste gebiedsdialoog op 26 mei jl.

Een greep uit de oogst: knuffelnatuur, pistekaarten en herders

Het resultaat van beide dagen laat zien dat er veel kansen liggen om thema’s samen te brengen. Voor de natuuropgave moeten we streven naar een meer robuust systeem, zo was de algemene gedachte. Daarbij willen we nadrukkelijker de verbinding zoeken met aangrenzende grote systemen als de IJssel, de Friese Boezem en het Veluwemassief. Meer geleidelijke oeverovergangen langs de dijken biedt kansen voor zowel natuur, waterkwaliteit als recreatie. Het IJsselmeergebied als natuurgebied is divers en biedt voor ieder wat wils. Het kan voor de recreant  een decor zijn (knuffelnatuur), een bestemming (safari, vogelspotten) of een export icoon (nieuw nationaal park).

Het idee van exporticoon sluit aan bij het signaal dat het IJsselmeergebied meer moet worden gepromoot als één gebied met een eigen identiteit. Openheid, weidsheid en het Zuiderzee karakter blijven daarbij de kernwoorden die de identiteit van het gebied ook in de toekomst zullen blijven bepalen, zo werd gepleit. De randen van het gebied kunnen recreatief benut worden, maar daarbij moet wel worden opgepast dat de openheid in stand blijft.  Door nadrukkelijker verbindingen tussen de verschillende kusten te leggen krijgt het gebied meer betekenis voor de recreant. Bijvoorbeeld door het herstellen van bootverbindingen met waterbussen of door een pistekaart te maken van routes langs het water.

Een belangrijke opgave voor de visserijsector is verduurzaming. Door de deelnemers zijn oplossingen aangedragen voor de toekomst van de (beroeps)visserij. Bijvoorbeeld door recreatieve verbreding zoals ‘recreatief bootliften’ en ‘met de visser mee op pad’, Maar ook door vissersboten in te zetten bij de monitoring van de waterkwaliteit of als beheerder van de quagga-mossel populatie, waarmee de visser van jager ook een hoeder van het gebied wordt.

Zuiver water is de basis voor veel goeds, zo werd onderkend. Zowel voor de mens (drinkwater), recreatie (zwemwater) als ook de natuur (gezonde visstand). Essentieel voor zuiver water is een gezondere nutriëntenbalans, met voldoende ‘vrije’ voedingsstoffen voor vissen. Omdat sommige wateren nu arm zijn aan nutriënten, werd door sommigen geopperd om de Afsluitdijk en de Houtribdijk open te maken. Hier is echter ook wrijving. Hoe kan het IJsselmeer de functie als drinkwaterreservoir vervullen als je via de Afsluitdijk zout water binnen laat? En een groei van de kranswierpopulatie, iets wat ontstaat bij een goede waterkwaliteit, is niet altijd prettig voor de pleziervaart. Kortom, naast kansen voor cross-overs zijn er ook zeker nog dilemma’s om op te lossen en vragen te beantwoorden.

 

Het vervolg

Rob Bouman, projectleider vanuit het ministerie van IenM, sprak van een overweldigende hoeveelheid en rijkdom aan ideeën. Ook de deelnemers waren enthousiast over de aanpak. “Dit is voor mij de eerste keer dat we integraal nadenken over de toekomst van het IJsselmeergebied”, aldus een van de aanwezigen. Er werd dan ook tevreden teruggekeken op deze twee dagen. En het wordt gewaardeerd dat er nu met een open blik wordt nagedacht over een gebied dat in werkelijkheid best veel gezichten kent en bestuurlijk versnipperd is.

Al met al overstegen de resultaten niet zelden de afbakening van de vier thema’s. Dit is precies wat het proces van de Gebiedsagenda faciliteert: verbindingen tussen thema’s onderzoeken zonder je te laten belemmeren door sectorale barrières.

 

Klik hier voor het uitgebreide verslag van deze gebiedsdialoog.

Enkele resultaten van het ontwerpend onderzoek Enkele resultaten van het ontwerpend onderzoek
...

Gebiedsdialoog 2

Gebiedsdialoog 2

Op 9 en 16 juni jl. vond de tweede van in totaal drie geplande gebiedsdialogen plaats in het kader van de Gebiedsagenda IJsselmeergebied 2050. Zo’n 60 personen van overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties gingen met elkaar in gesprek over ruimtelijke opgaven en ontwikkelingen in het IJsselmeergebied. Door middel van ontwerpend onderzoek hebben zij nieuwe kansen voor het gebied in beeld gebracht. De bijeenkomsten vonden plaats in erfgoedcentrum Nieuw Land te Lelystad.

 

Vergezichten voor energie, water(veiligheid), landschap en cultuurhistorie

Net als tijdens de eerste gebiedsdialoog is er gedroomd over nieuwe vergezichten voor urgente opgaven. Hierbij zijn kernkwaliteiten benoemd, cross-overs bekeken en kennisvragen geformuleerd. Dialoog 2 werd voorgezeten door dagvoorzitter Joris Escher en ateliermeester Joke Schalk. De ochtend van de eerste dag van dialoog 2 stond in het teken van dromen voor de thema’s energie, water(veiligheid), landschap en cultuurhistorie. Hoe kunnen we ontwikkeling stimuleren door het optimaliseren van robuuste systemen? Hoe verhouden vraag en aanbod van bovengenoemde thema’s zich tot elkaar? En kunnen we synergie creëren door functies te combineren, en zo ja welke functies en op welke plek? ’s Middags is er een thematische verdieping gemaakt op bovenstaande thema’s waarbij cross-overs zijn gezocht. Zo is er onder andere gewerkt aan ‘energie in het landschap’ en ‘waterkracht’ waarbij energie gekoppeld is aan respectievelijk landschap en water.

 

Concreet en locatiespecifiek

Tijdens dag 2 zijn groepen aan de slag gegaan met fictieve projectuitwerkingen. Er is per groep gewerkt aan een concrete opgave om ideeën pragmatisch en locatiespecifiek te maken. Dialoog 2 laat zien dat er een integrale kijk op het gebied gewenst is in plaats van sectoraal denken. Al deze ontwikkelingen hebben hun invloed op het landschap. Hoe kijken we hier tegen aan: als plaatje, als systeem of als leverancier van producten? Met name energietransitie is geoormerkt als grote potentiële opgave. Tevens zijn er naast energietransitie onontkoombare ontwikkelingen als bodemdaling, krimp, digitalisering en participatie die het ons verplichten met nieuwe inzichten of een andere bril naar het IJsselmeer te kijken. Daarbij wordt door de deelnemers opgemerkt dat het wenselijk is om één overkoepelende visie op het IJsselmeer te hebben in relatie tot energie om zo structuur, overzicht en synergie te creëren met andere thema’s.

 

Voorbeelden voor nieuwe historie: de windstekker met zandsuppletie, het valmeer en de aansluitdijk

Zo is het wellicht mogelijk problemen om te zetten in kansen. Een praktisch voorbeeld is ongewenste vegetatie zoals kranswieren oogsten voor bevaarheid, die kunnen worden gebruikt als biomassa voor energie(productie). Dit levert tevens werkgelegenheid op. Een ander probleem dat kan worden omgezet in een kans is duurzame (wind)energie. Zo ondervindt het plaatsen van windmolens wrijving in relatie tot cultuurhistorie en landschappelijke waarden zoals openheid. Echter liggen er wellicht mogelijkheden om windenergie als tijdelijke maatregel - voor een periode van 30 jaar - te kunnen inzetten om daarna over te gaan op een nieuwe vorm van ‘toekomstige’ energie zoals stromingscentrales waarbij de openheid weer gegarandeerd is.

Het is ook belangrijk om in het IJsselmeergebied ingrepen te doen die meebewegen met de tijd in plaats van ingrepen die eenmalig een grote impact hebben. Dit kan door sectoroverstijgend te denken en niet enkel te kijken naar productie, maar ook naar reductie van goederen en stromen. Hiervoor moeten natuurlijke processen en tijd in ons voordeel worden gebruikt. Op deze manier kunnen kosten worden bespaard en kunnen effecten worden geminimaliseerd. Als voorbeelden zijn de windstekker met zandsuppletie en het valmeer aan bod gekomen. Beide initiatieven maken gebruik van overschotten in duurzame energie die worden gebruikt om waarde te bufferen/creëren. Bij de windstekker worden dijken geleidelijk door de tijd heen opgehoogd ten behoeve van de waterveiligheid.

Een ander integraal voorstel kwam voort uit een verdere compartimentering van het IJsselmeer. Het voorstel is om de IJdam (Amsterdam-Noord - Almere) en de aansluitdijk (Enkhuizen-Friese kust) te realiseren. Beide dammen voorzien in een nieuwe verdedigingslinie tegen het water, vormen nieuwe verbindingen en bieden kansen voor recreatie, natuur en stedelijke ontwikkeling. Deze gedachte viel goed te combineren met een ander concept waarbij Nederland als één grote metropool wordt gezien met drukke delen (Metropool Regio Amsterdam) en rustige delen (Noord-Nederland) met het IJsselmeer als centraal blauw park. In een dergelijke situatie zijn de eerder genoemde verbindingen van grote waarde.

Meermaals kwam ook de verhalende kracht van onze Hollandse ingenieurskunst aan bod. Elementen als de V.O.C., het maken van nieuw land, de grote nieuwe waterkeringen van de Deltawerken en militaire waterlinies werden aangehaald. Deze historie en verhalende werking levert het gebied uniciteit, samenhang en economische waarde op. Belangrijk is echter wat de historie van onze toekomst is en hoe we die bepalen. In de zaal werd al geroepen ‘Laten we hier nieuwe historie schrijven’. Een andere deelnemer gaf daarbij aan: ‘In 2050 wil ik al varend op het IJsselmeer mijn kleinkind kunnen vertellen over de succesvolle transitie die we nu bedenken’.

 

Het vervolg

De tweede gebiedsdialoog werd afgesloten door Rijksadviseur Landschap en Water Eric Luiten en directeur Gebieden en Projecten bij IenM Donné Slangen. Beide reflecteerden op de opgedane kennis en ideeën. Luiten: “Zorg dat naast de beweer- ook de bewijslast wordt verstevigd”. Daarnaast benadrukte Luiten dat de energietransitie als de grote opgave voor de toekomst moet worden gezien. Slangen sloot het programma af met een opmerking over het proces van de Gebiedsagenda: "Dit proces is een voorbeeld van hoe Rijk en regio samen praten over de toekomst van het IJsselmeergebied".

Ook de tweede gebiedsdialoog heeft een mooie oogst van ideeën en is een belangrijk moment als opmaat naar de verdere uitwerkingen. Bij deze uitwerkingen is het essentieel dat partijen elkaar weten te vinden en daar heeft deze dialoog zeker aan bijgedragen.

 

Klik hier voor het uitgebreide verslag van deze gebiedsdialoog.

Deelnemers aan het werk Deelnemers aan het werk
Enkele resultaten van het ontwerpend onderzoek Enkele resultaten van het ontwerpend onderzoek
...

Gebiedsdialoog 3

Gebiedsdialoog 3

Op 30 juni jl. vond de derde gebiedsdialoog van Gebiedsagenda IJsselmeergebied 2050 plaats. Deze bijeenkomst vond plaats in Beach Hotel de Vigilante te Makkum, waar we genoten van een prachtig uitzicht op windsurfers op het IJsselmeer. Ook deze bijeenkomst was druk bezocht met in totaal zo’n 50 deelnemers. Zij gingen met elkaar aan de slag om een visie te vormen en ruimtelijke opgaven voor het gebied te bepalen. In plaats van twee bijeenkomsten werd de derde dialoog in één dag doorlopen door middel van een langer programma met diner tussendoor.

De dag werd gestart met een welkom door dagvoorzitter Joris Escher en ateliermeester Abe Veenstra. Vervolgens werd het doel van het project en de dag toegelicht door de projectleider van de Gebiedsagenda Rob Bouman van het ministerie van Infrastructuur en Milieu.

 

Blauw goud en een Oosterscheldekering ‘light’ als stip op de horizon

Geïnspireerd door korte pitches van onder andere Tom van der Wekken (projectmanager Rijkswaterstaat Zoetwatervoorziening), Chris Bakker (It Fryske Gea) en Jack van der Wal (Provincie Friesland) gingen de deelnemers in verschillende groepen uiteen om hun dromen voor het IJsselmeergebied te bepalen. De deelnemers waren ingedeeld aan de hand van de thema’s circulaire economie, transport, ruimtelijke adaptatie en zoetwatervoorziening. Per groep werd ingegaan op de waarden en kwaliteiten die we absoluut moeten koesteren in de toekomst. Zo zag de groep van circulaire economie het landschap en de natuur van het noorden als belangrijke kwaliteit om hier een woongebied te ontwikkelen: "Door ander type werk is de maatschappij in 2050 wellicht ‘footloose’ en minder gebonden aan de Randstad. Dan is het noorden straks het meest interessante woongebied van ‘Holland City’ door zijn kwaliteiten op het gebied van landschap en natuur".

Door middel van aansprekende titels werden dromen duidelijk op de kaart gezet. Zo kon de groep ruimtelijke adaptatie stedelijk al snel hun statement maken: "Het IJsselmeer is blauw goud, want het gaat over water en land. Als je het wil vermarkten: 'blue d‘or'. Het IJsselmeer is eigenlijk Amsterdam Lake. Nu binnenzee, maar het moet weer een zee-arm worden". Ook werd er inspiratie gehaald uit het verleden om bijvoorbeeld het aanbod voor zoetwatervoorziening beter te balanceren: "Een natuurlijker systeem zoals het eigenlijk was voor de aanleg van de Afsluitdijk. Je kan hem duidelijk niet weghalen, maar met bepaalde projecten moet er weer meer dynamiek in het systeem komen".

 

Amsterdam Central Lake en governance

Hoewel sommige dromen elkaar tegenspraken - IJsselmeer in zijn geheel zoet houden vs. zout water inlaten - waren er ook een aantal overeenkomsten tussen de plannen op te merken. Deze overeenkomsten zijn door dagvoorzitter Joris Escher en ateliermeester Abe Veenstra samengebundeld in zes verschillende concepten. In de middag gingen de deelnemers aan de slag om deze concepten invulling te geven. Ideeën werden verder ontwikkeld en gekoppeld aan concrete projecten voor de toekomst.

Deze concepten werden vervolgens in één minuut door de verschillende groepen gepresenteerd. Daarna hadden de deelnemers de mogelijkheid om bij andere groepen aanvullingen te geven en concrete vragen te stellen. Bij de sedimentmotor werd onder andere het idee ingebracht om dit concept te koppelen aan de Gouden Driehoek. Hier ging het namelijk om het versterken van drie havenontwikkelingen door het verbeteren van de infrastructuur: Flevokust (Lelystad), maritieme servicehaven Urk en 'Port of Zwolle'. Dit gaat heel goed samen met het uitbaggeren van de vaargeul zoals werd voorgesteld in de sedimentmotor. Zo ontstond er een mooie integratieslag en werden alle concepten een stap verder gebracht.

 

Zet je geld in op het beste idee!

Na de verrijkingsslag werden de plannen afgerond om gepresenteerd te worden. De inzet was deze keer hoog: iedereen mocht zijn geld (€5 miljoen per persoon) geven aan het beste plan. Deelnemers waren zeer betrokken bij hun ideeën. Flos Fleischer over ‘governance en kennis’ waarbij een aanpak werd gezocht om de Gebiedsagenda bestuurlijk te verankeren: "Het kennisportaal moet de ambitie en doelstelling verantwoorden. Nou hebben jullie allemaal geld gekregen en het gaat erom: hoeveel is dit je waard? Het kost minder dan 5 miljoen, met een ton kun je al heel ver komen. Houd dat in gedachte als je straks je geld ergens op in gaat zetten. Dit plan is a) het meest essentiële onderdeel van de hele muur en b) waarschijnlijk de goedkoopste."

Maar ook andere deelnemers presenteerden hun idee met verve en uiteindelijk hadden ‘de Afsluitdijk als motor’ en ‘de sedimentmotor’ met €45 miljoen het meeste geld verdiend.

Over de uitwerking van de resultaten in volgende fasen hebben sommige deelnemers hun twijfels. De groep 'van dam tot dijk': "Wij willen graag een ‘chill’ IJsselmeergebied en hopen dat dat plan overeind blijft."

 

Het vervolg: de synthesefase

Na een lange, maar zeer succesvolle dag kon de eerste reeks van gebiedsdialogen worden afgesloten. Rob Bouman gaf aan dat alle ideeën (inclusief 'een chill IJssemeergebied') voorlopig nog overeind zullen blijven. Ter voorbereiding op de synthesebijeenkomst in september worden meerdere integrale perspectieven voor het IJsselmeergebied geformuleerd; dit gebeurt op basis van de oogst van alle drie de gebiedsdialogen. Tijdens de synthesebijeenkomst zal aan een concreet werkprogramma voor 2017 worden gewerkt. Hierin dient duidelijk te worden gemaakt welke projecten prioriteit hebben en welke fasering eraan vast zit. Het doel is dat deze projecten uiteindelijk worden opgepakt en uitgevoerd worden door de desbetreffende shareholders zodat er concreet gewerkt gaat worden aan het IJsselmeergebied 2050.

 

Klik hier voor het uitgebreide verslag van deze gebiedsdialoog.

Deelnemers aan het werk Deelnemers aan het werk
Enkele resultaten van het ontwerpend onderzoek Enkele resultaten van het ontwerpend onderzoek

15 september 2016

Synthesebijeenkomst

Op 15 september 2016 vond de synthesebijeenkomst plaats. Tijdens deze bijeenkomst werd de omvangrijke oogst van dromen, ideeën, concepten, opgaven en dilemma’s uit de drie gebiedsdialogen besproken. Daarnaast is gekeken hoe we een stap verder kunnen komen met de plannen én de toekomst van het IJsselmeergebied. Wat zijn de rode draden? Door welke bril willen we naar het gebied kijken? Hoe kunnen we regionale initiatieven met elkaar verbinden en met welke kansrijke concepten uit de gebiedsdialogen? Hoe komen we tot zinvolle samenhangende pakketten. En welke stappen zetten we om tot het gewenste richtinggevend perspectief voor het IJsselmeergebied te komen? Het synthesedocument, te downloaden via nevenstaande button, diende hierbij als hulpmiddel.

 

Inspiratiecaroussel

Tijdens de synthesebijeenkomst zijn verschillende presentaties gegeven. Deze zijn via nevenstaande buttons te downloaden.

Eric Luiten, voormalig Rijksadviseur Landschap en Water, gaf een preview van het advies dat het College van Rijksadviseurs binnenkort zal uitbrengen.

Frits Palmboom, hoogleraar op de Van Eesteren leerstoel, presenteerde de tien gouden regels (handreikingen) om de relatie tussen het land en het water in het IJsselmeergebied te versterken.

Jandirk Hoekstra, Provinciaal Adviseur Ruimtelijke Kwaliteit (PARK) van de provincie Noord-Holland, presenteerde het verhaal van Team PARK over de samenhang in het Markermeer en IJmeer.

 

Het vervolg

De synthesebijeenkomst markeerde de overgang van de verkenningsfase naar de vervolgfase: welke concepten/cross-overs zijn kansrijk zijn om in de vervolgfase uit te werken? Welke partijen pakken deze op, zelfstandig of als verrijking/verbreding van bestaande initiatieven? Mede op basis daarvan zal een werkprogramma opgesteld worden waarmee de shareholders gezamenlijk vorm en inhoud geven aan de vervolgfase.

Zie het verslag hiernaast.

Overige activiteiten

Op deze pagina vindt u de resultaten van diverse initiatieven rondom de totstandkoming van de Agenda IJsselmeergebied 2050. 

 

Marijke Koene, studente van de TU Delft, heeft in opdracht van Rijkswaterstaat, in samenwerking met de Van Eesteren Leerstoel,onderzoek verricht naar de ruimtelijke benadering van het IJsselmeergebied. Hierbij heeft ze gebruik gemaakt van de Gouden Regels, ontwikkelt door de Leerstoel. Het resultaat van haar onderzoek vindt u hiernaast.

Contact

Wilt u meer informatie over de Gebiedsagenda IJsselmeergebied 2050? Stuur dan een e-mail naar:

info@agendaijsselmeergebied2050